Korte geschiedenis van het Aartsbisdom/ExarchaatHet Aartsbisdom is de wettelijke opvolger van de “Voorlopige Administratie van de Russische parochies in West-Europa”, opgericht door de heilige Patriarch Tichon van Moskou; deze “Voorlopige Administratie” werd toevertrouwd aan Aartsbisschop Evlogi (oekaze 423 en 424, d.d. 8 april 1921), met zegen van de heilige Metropoliet Benjamin van Petrograd, die tot dan toe de jurisdictie uitoefende over de religieuze instellingen van de Russisch orthodoxe Kerk in West-Europa (brief d.d. 21 juni 1921). MOSKOU EN CONSTANTINOPELdoor Dr. Gerd Stricker * Door de doop van het volk van Kiev in het jaar 988, op bevel van Vorst Vladimir, kwamen de oost-slavische landen in de invloedssfeer van de byzantijnse cultuur. De verovering van Constantinopel door de Osmanen in 1453 maakte de Oecumenische Patriarch tot dienaar van de Osmaanse sultan, hetgeen leidde tot een enorm gezagsverlies van de Patriarch. In Moskou, c.q. in het Russische Rijk - het enige land met een “rechtgelovige” heerser - werd rond 1510 de gedachte geformuleerd, dat Moskou de erfenis van Constantinopel moest overnemen. Tot vandaag is deze gedachte aktueler dan ooit. “Het eerste en het tweede Rome zijn gevallen, het derde is vast gevestigd en een vierde zal er nooit komen”; dat schreef in 1510 een Russische monnik uit Pskov aan Grootvorst Vasily III in Moskou. Bedoeld werd: het eerste Rome, eens het centrum van de christelijke wereld, was van het rechte geloof afgevallen. Uiterlijk in het jaar 1054 (het schisma tussen oost en west) was dit duidelijk geworden. Het tweede Rome – Constantinopel – werd in 1453 door de Osmanen veroverd en maakte van de Patriarch een slaaf van de sultan. Het derde Rome echter is Moskou, “en een vierde zal er niet zijn”. Deze theorie van Moskou als het derde Rome maakte Moskou tot eindpunt en doel van de geschiedenis. Toen deze theorie in 1510 werd geformuleerd, lag de val van Constantinopel pas zestig jaar terug. Wat dit voor de orthodoxe wereld, en met name voor de Balkan, betekende, is tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar. Constantinopel, door de slavische wereld bewonderend ‘Keizerstad’ (Tsargrad) genoemd - het stralende middelpunt van het Oosten – was veroverd door de heidense Osmanen en Moskou was bereid deze rol over te nemen. CONSTANTINOPEL HEEFT “DE ORTHODOXIE VERRADEN”.Het verlies aan autoriteit van de Patriarch van Constantinopel dateerde reeds van vóór 1453. Nadat de Keizerstad jarenlang belegerd en vijwel de gehele Balkan door de Osmanen veroverd was, zochten Keizer Johannes VIII en Patriarch Josef II hulp in het Latijnse Westen. Op het Concilie van Ferrara-Florence (1438/39) onderwierpen ze zich aan de Paus (de z.g Unie van Florence - 1439). In de ogen van Moskou had Constantinopel daarmee “de Orthodoxie verraden”. De hulp - door Rome beloofd – bleek uiteindelijk minimaal, zodat Constantinopel toch nog ten offer viel aan de Osmanen. Hoewel Constantinopel na de Osmaanse verovering tot de “rechtgelovigheid” terugkeerde, bleef de morele schade van de “Unie van Florence” enorm, vooral in het Noorden, in het land van de “Rus’ “. Van de noodsituatie, waardoor Constantinopel tot het aanvaarden van de “Unie van Florence” met de gehate Katholieken a.h.w. gedwongen was, was in het Noorden niets concreets bekend. Daardoor bleef daar het “verraad” van Constantinopel zorgen voor haat en wantrouwen jegens alles wat “Grieks” was. De sinds de “Unie van Florence” (1439) ten diepste verstoorde verhouding tussen Moskou en de Moederkerk van Constantinopel (van waaruit in 988 de kerstening van het Rijk van Kiev plaatsgevonden had, dus 550 jaar vóór het Concilie van Florence) was niet iets abstracts, maar trof het hart van de Moskouse Metropolie, die tot 1453 immers onderworpen was geweest aan de Patriarch van Constantinopel en deze hechtte er grote waarde aan, dat aan het hoofd van de Moskouse Metropolie iemand van zijn keuze stond. Daarom waren tot dan toe dan ook de meeste Moskouse metropolieten Grieken. DE REACTIE VAN MOSKOU OP DE UNIENa het sluiten van de Unie van Florence, stuurde Patriarch Metrophanes II in 1441 een “Unie-gezinde” Metropoliet naar Moskou – de Griek Isidoor – die echter, bij aankomst in Moskou, onmiddellijk gevangen wordt gezet. Omdat het Patriarchaat Constantinopel door het ondertekenen van de Unie in Moskouse ogen de Orthodoxie verraden had, koos de Moskouse bisschoppensynode in 1448, zonder Constantinopel ook maar te verwittigen, de “Unie-vijandige” bisschop Iona aan het hoofd van de Moskouse Metropolie. Daarmee was de definitieve breuk met Constantinopel een feit: Moskou was autokefaal; de verheffing echter van Metropolie tot Patriarchaat volgde pas 141 jaar later, in 1589 – ditmaal met toestemming van Constantinopel. Het belangrijkste verschil tussen Grieken en Slaven lag in mentaliteit en vorming. Intellectueel gezien waren de Slaven de mindere en bij lange niet opgewassen tegen de Grieken. Theologische discussies, door de Grieken met logika en scherpte gevoerd, waren in de ogen van de Slaven vreemd en onbegrijpelijk en daarom verdacht. De Slaven stonden wantrouwend tegenover de listige Griekse argumentaties. Anderzijds hadden de Grieken de gewoonte aangenomen hun slavische geloofsbroeders vanuit de hoogte te behandelen. Dit leidde tot een ‘Griekse’ en een ‘Slavisch/Roemeense’ Orthodoxie en tussen beide tradities gaapt tot op vandaag een kloof, die de onderlinge betrekkingen vaak vertroebelt. Ook het feit dat het Patriarchaat Constantinopel gedurende de gehele tijd van de Osmaanse onderdrukking (van ±1390 tot ±1900) aan geen van de dochterkerken op de Balkan autokefalie (zelfstandigheid) heeft willen verlenen, verklaart de koele houding tegenover het Patriarchaat Constantinopel. Bovendien beschouwde de bevolking van de Balkan (evenals de Roemenen) de orthodoxe Patriarch als de “verlengde arm” van de Sultan, omdat hij (de Patriarch) als “Ethnarch” van het christelijke deel van het islamitische Rijk, als “Radzja” werd beschouwd. Deze positie werd door het Oecumenische Patriarchaat benut om met behulp van Griekse geestelijkheid de Slavische Kerken op de Balkan te helleniseren. Maar in de gedachten van de bevolking op de Balkan leeft de herinnering aan deze periode van de heerschappij van het Fanar (zetel van de Oecumenische Patriarch), nog steeds pijnlijk voort. Afgezien van deze gevoelens over het Oecumenische Patriarchaat bij de niet-Griekse orthodoxen, zijn daar nog de specifieke fenomenen die typisch zijn voor het Patriarchaat Moskou. De theorie van “Moskou als het derde Rome” (1510) leverde uiteindelijk de historische achtergrond voor de overgang van de leiding over de Orthodoxie van Constantinopel naar Moskou. Tot in de 19e eeuw bleef het Russische Rijk het enige - en belangrijkste – vrije orthodoxe land met een rechtgelovige heerser. Terwijl de invloedssfeer van de Patriarch van Constantinopel tegelijk met de neergang van het Osmaanse Rijk wegsmolt, groeide het grondgebied van het Patriarchaat Moskou enorm door de uitbreiding van het Russische Rijk tot aan de Pacifische Oceaan en de grenzen van China, vooral in de 18e en de 19e eeuw. De Russische droom, de erfenis van Constantinopel over te nemen, viel in beide genoemde eeuwen samen met de ambities van de Russische tsaren de Osmanen uit Constantinopel te verdrijven en ‘Tsar-grad’ - ‘Keizer-stad’ - voor het christendom terug te winnen. Daarmee verbonden was de gedachte dat de waardigheid van Constantinopel dan vanzelf op Moskou zou overgaan. Maar ondanks de militaire inzet van het Russische Rijk op de Balkan werd dit doel nooit bereikt. MOSKOU EN CONSTANTINOPEL IN DE SOVJET-TIJD.Voor de Tweede Wereldoorlog, met name tijdens de periode van de Sovjet-terreur in de jaren ’30, was de druk van de vervolgingen te groot dan dat men zich aan dromen, zoals “Moskou – het derde Rome”, kon overgeven. Dat veranderde na de Grote Vaderlandse Oorlog. Na de duitse invasie in de Sovjet-Unie (22 juni 1941) had de Kerk zich in diverse verklaringen ondubbelzinnig achter Stalin opgesteld en hem met haar gebeden begeleid. In dat uur van het hoogste gevaar, mobiliseerde Stalin al zijn reserves, in de allereerste plaats: de Russisch orthodoxe Kerk. Maar ook andere religieuze gemeenschappen werden ingezet voor de verdediging van het vaderland. Vanaf 1943 werd voor elk van hen een plaats ingeruimd binnen de sovjet maatschappij, zodat na de oorlog de sovjet propaganda Stalin kon roemen als de “Grote Leider der volkeren”, die de “teutoonse fascistische horden” overwonnen had en Europa van de Nazi’s had bevrijd. Daarom moest op het internationale parket “zijn” Kerk - het Patriarchaat Moskou - die leidende rol krijgen, die Stalin in zijn grootheidswaan voor ogen stond. Met dit doel nodigde het Patriarchaat - d.w.z. Stalin - de vertegenwoordigers van alle orthodoxe Kerken uit, van 9 tot 16 juni 1948 naar Moskou te komen ter gelegenheid van de viering van 500 jaar autokefalie. Het was duidelijk dat het Stalins bedoeling was, alle orthodoxe Kerken als één man achter het Moskous Patriarchaat, en dus achter de Sovjet-staat te krijgen. Dit plan mislukte: de Kerken van Constantinopel en Griekenland weigerden de, in het Kremlin opgestelde, politieke ‘gemeenschappelijke’ verklaring te ondertekenen. De andere orthodoxe Kerken, die allen leden onder het communisme, waren wel gedwongen, nillens-willens, deze “Pax Sovjetica” te ondertekenen, zoals ook later in het Oostblok gebruikelijk was met betrekking tot politieke verklaringen. Tijdens de koude oorlog heeft de kloof tussen de Griekse orthodoxie in de vrije wereld en de Slavische/Roemeense orthodoxie zich verder verdiept. TOENEMENDE SPANNINGEN NA DE VAL VAN DE MUURNa het ineenstorten van het communisme en de politieke gevolgen die dit met zich meebracht, traden onverwachte spanningen op tussen Moskou en Constantinopel. In 1996 trad een scheuring op in Estland: ethnische Esten verlieten de Estnische orthodoxe Kerk (Patriarchaat Moskou) en wendden zich tot Constantinopel. Voor velen in West-Europa was dit volkomen onbegrijpelijk. Zoals steeds geeft hier een historische terugblik meer inzicht. De (lutheraanse) provincies Estland, Livland en Kurland - tegenwoordig Estland en Letland - waren in resp.1709 en 1795 ingelijfd in het Russische Rijk. In de periode 1840 - 1845 kwam het tot een door de Russische staat gedreven, maar twijfelachtige missioneringscampagne: aan de Balten werd land beloofd in ruil voor een overgang naar de orthodoxe Kerk. Ongeveer 70.000 Esten en Letten gaven gehoor aan deze oproep. Een volkseigen liturgietaal ontwikkelde zich en aldra voltrok het liturgische en kerkelijke leven zich in de volkstaal. Uiteraard behoorden de nieuwe baltische bisdommen tot de Heilige Synode in St. Petersburg. Na de annexatie van het Balticum door de Sovjet-Unie (1944) werden alle orthodoxe bisdommen direct weer onder het Patriarchaat van Moskou gesteld; de in groten getale geïmporteerde Russen, Oekraïners en Wit-Russen brachten een onmiddellijke russificatie van de Estnische Kerk teweeg. In de meer landelijke gebieden slaagden de Esten er echter in hun eigen Estnische liturgische taal te behouden; het Lets is als liturgische taal echter volkomen verdwenen. Toen de Baltische landen, na de val van de Muur en de daarop volgende omwentelingen in de jaren ’90, opnieuw hun onafhankelijkheid verkregen, besloten de orthodoxe Esten zich in 1995/96 opnieuw, na lange onderhandelingen, van het Patriarchaat Moskou los te maken en naar de jurisdictie van Constantinopel terug te keren, juist zoals na de Eerste Wereldoorlog. Daarop bereikt de verhouding Moskou / Constantinopel een dieptepunt, totdat de Patriarch van Moskou uiteindelijk de vorming van een Estnisch bisdom onder Constantinopel, eveneens zetelend in Talinn, accepteert. In Letland spelen de ontwikkelingen zich niet in de openheid af; in Litouwen, waar de orthodoxe Kerk sowieso vrijwel uitsluitend uit Russen bestaat, verandert niets. OekraineDe onafhankelijkheid van Estland, Letland en Litouwen - voormalige communistische satellietstaten – heeft ook in de Oekraïne tot een splitsing binnen de Orthodoxie geleid. Nationalistische orthodoxe Oekraïners verlaten de Russisch orthodoxe Kerk van het Patriarchaat Moskou; dit was overigens al begonnen vóór de teloorgang van het Sovjet-imperium, en wel in 1989. Vanaf het begin echter viel deze groep gelovigen uiteen in twee kampen.: de “Oekraïns orthodoxe Kerk van het Patriarchaat Kiev” en de “Autokefale orthodoxe Kerk van Oekraïne”. Geen van beide “Kerken” is overigens erkend door de wereldwijde Orthodoxie; beide zijn “onkanoniek”. Weliswaar is de Oekraïns orthodoxe Kerk van het Patriarchaat Moskou met zijn 11.000 parochies bijna 3 x groter dan beide andere groepen, die samen nog geen 4000 parochies bevatten, maar ze zijn er desondanks in geslaagd de parochies van het Patriarchaat vrijwel volledig uit het Westen van het land te verdringen, juist in dàt deel van het land, waar onder het sovjet-regime de meeste van de toen bestaande parochies (3000 van 6800 parochies in totaal) was gevestigd.Deze splitsing duidt op de gecompliceerde verhouding Russen vs. Oekraïners. De laatsten voelen zich al sinds eeuwen door de Groot-Russen overheerst en onderdrukt en, als volk, niet erkend. En daarin zien zij ook de reden, waarom hen een nationale Kerk wordt onthouden. Hun onvermoeid pogen binnen het Patriarchaat van Constantinopel een canonieke plaats te veroveren, maakt de toestand uiterst ontvlambaar. Conflicten in Midden- en WesteuropaEen oud conflict tussen Moskou en Constantinopel trad in de jaren negentig (van de vorige eeuw) weer op de voorgrond. Metropoliet Evlogi, een overtuigd oecumenist, bouwde zijn bisdom – met het gerenommeerde Theologisch Instituut St. Serge – uit met financiële steun van de Rooms-Katholieke en de Anglikaanse Kerk. Het Instituut St. Serge, dat tot op de dag van vandaag een oecumenische geest ademt, wordt door het Patriarchaat Moskou steevast als ‘liberaal’ bestempelt; zo komt het - kort na de val van het communisme - in een priesterseminarie in Rusland tot een boekverbranding van de werken van enige professoren van “St. Serge” (Boulgakov, Schmemann, Meyendorff). Het ligt geheel in de lijn van Poetin alle Russen buiten het vaderland via de orthodoxe kerkelijke structuren weer aan Moskou te binden. Na het herstel van de communio met de Buitenlandse Synode (2007), is het voor hem van het grootste belang het Russisch Exarchaat van Parijs - onder obediëntie van Constantinopel – eveneens opnieuw aan het Patriarchaat Moskou te binden. Weliswaar celebreren de ± 90 parochies van het Russisch Exarchaat (waarvan de meeste in Frankrijk liggen) de liturgische diensten niet meer in het Kerkslavisch, maar in de volkstaal. De afstammelingen van de Russische Emigratie binnen dit Exarchaat zijn grotendeels geassimileerd, zowel betreffende spraak als kultuur; bovendien bestaat een groot deel van deze parochies uit ‘bekeerlingen’. In het supranationale Exarchaat heerst een geest van openheid, oecumene en geestelijke vrijheid, die karakteristiek is binnen het Oeumenisch Patriarchaat. De druk op Aartsbisschop Gabriël (De Vylder) neemt steeds toe. Duizenden nieuwe Russen zijn uitgezwermd over de bestaande parochies van het Aartsbisdom, die grotendeels hun wortels in de Russische emigratie hebben en vormen daarbinnen soms zelfs een Moskou-gezinde meerderheid. Bovendien onderneemt het Patriarchaat Moskou, via de officiële Franse instanties, pogingen het Aartsbisdom van haar oudste en fraaiste kerken te beroven. Een deel, zij het een minderheid, van de gelovigen van het Aartsbisdom in Frankrijk, voelt zich aangetrokken door het sirenenzang vanuit Moskou: de Russische adel van Parijs, voorzien van nieuwe ‘ere-paspoorten’ danst op bals in St. Petersburg en van de oplevende economie in Rusland willen ook de oude emigranten mee profiteren. Velen onder hen zijn ook gefascineerd door de door Poetin herstelde glans op oude kerk-koepels; men is er weer trots op ‘Rus’ te zijn. Maar zo geraakt het Parijse Aartsbisdom in de zogstroom van het opbloeiende Rusland, geflankeerd door het Patriarchaat en discreet ondersteund door Poetin. En de spanningen tussen de op Constantinopel georiënteerde niet-slavische en de Russische nationalistische gelovigen stellen het Aartsbisdom verder voor grote moeilijkheden. Conflicten in Midden- en WesteuropaIn het Britse diocees “Sourozh” van het Patriarchaat Moskou kwam het in 2006 om dezelfde redenen tot een splitsing. Onder de geestelijke leiding van Metropoliet Anthony (Bloom, 1914 - 2004) hadden in de zestiger jaren enige Russisch orthodoxe groeperingen zich tot parochies gevormd onder de jurisdictie van het Patriarchaat Moskou. Evenals in de parochies in Frankrijk in de jaren twintig, heerste in deze parochies eveneens een geest van openheid. Metropoliet Anthony, een charismatische persoonlijkheid, trok mensen aan en veel Anglikanen traden toe tot de Orthodoxe Kerk, waaronder ook enige geestelijken, die de wijding van vrouwen afwezen. Meer en meer werd het Kerkslavisch als liturgische taal vervangen door het Engels en de van oorsprong Russische parochies assimileerden zich meer en meer aan de Britse cultuur. Tijdens de Koude Oorlog had het Patriarchaat Moskou deze ‘liberale’ tendenzen niet kunnen tegenhouden, omdat Metropoliet Anthony elke beïnvloeding vanuit Moskou (m.n. financiële steun) kategorisch afgewezen heeft. Na de dood van Metropoliet Anthony (4 aug. 2003) bevestigde het Patriarchaat weliswaar de door de Diocesane Raad als opvolger van Metropoliet Anthony gekozen hulp-bisschop Basil (Osborne), maar slechts als administrator. Gedurende drie jaren probeerde deze de gerezen problemen, veroorzaakt door steeds toenemende nationalistische druk van de zijde der Russische nieuwe immigranten, met zachtmoedigheid en wederzijds overleg op te lossen. Tevergeefs! Tenslotte moest bisschop Basil constateren dat alles, wat Metropoliet Anthony in 40 jaar aan een oecumenisch georiënteerde, engelstalige orthodoxie had opgebouwd, met de middelen van een door Moskou aangestuurd Grootrussisch nationalisme systematisch vernietigd werd. Daarom verzocht bisschop Basil de Oecumenische Patriarch, hem en zijn engels-georiënteerde parochies onder zijn omoforion op te nemen. Patriarch Bartholomeos stemde hierin toe en verbond hem, als bisschop van een Engels Vicariaat, aan het Exarchaat van Russisch orthodoxe parochies in West-Europa onder Aartsbisschop Gabriël (De Vylder – rue Daru, Parijs). De reactie uit Moskou liet niet lang op zich wachten. Dat bisschop Basil zonder ontslagbrief door het Oecumenisch Patriarchaat werd opgenomen, was voor het Patriarchaat Moskou aanleiding tot woedende uitvallen en dreigingen. Pas één jaar later, op 16 mei 2007, heeft het Patriarchaat Moskou bisschop Basil, “omwille van de kerkelijke vrede”, officiëel laten gaan. Zo probeert het Patriarchaat Moskou, geholpen door zijn mondiale machtspositie en gesteund door en onder druk van president Poetin, na 500 jaar de profetie van “het derde Rome” alsnog te verwerkelijken. Officiëel erkent Moskou het ereprimaat van de Oecumenische Patriarch van Constantinopel; maar in de praktijk wordt bij elke gelegenheid geprobeerd, de autoriteit van Constantinopel te ondermijnen. Of Moskou erin zal slagen met zijn machtspel en nationalistische krachtpatserij Constantinopel te onttronen, is geenszins zeker. Want klaarblijkelijk ligt de sterkte van het Patriarchaat Constantinopel juist in zijn uiterlijke zwakte. * (verschenen in G2W, 35, (2007), 12, 16 – 19). VERKLARING van de DIOCESANE RAAD (I)Parijs, 9 december 2004 (betreffende de brief van Z.H. Patriarch ALEXIS II van 1 april 2003 over de vorming van een autonome Metropolie voor Westeuropa onder de jurisdictie van het Patriarchaat Moskou) De Diocesane Raad heeft in haar huidige samenstelling sedert een half jaar haar werkzaamheden opgenomen. Zij heeft de moeilijkheden geïnventariseerd, evenals de taken die haar wachten.Tijdens deze periode is het leven van het Aartsbisdom in ernstige mate verstoord door de ‘open brief’ van Patriarch Alexis II van Moskou (gedateerd 1 april 2003) betreffende de weg die gevolgd dient te worden teneinde te komen tot één lokale Kerk in West-Europa. Deze lokale Kerk zou moeten bestaat uit de drie kerkelijke entiteiten, voortgekomen uit de Russische emigratie. Ook andere problemen deden zich voor. Het Aartsbisdom wil trouw blijven: De taak die ons wacht, vloeit voort uit onze situatie: Daarom doen wij een appel op alle Patriarchaten en in de eerste plaats op Z.H. Bartholomeos I, de Oecumenische Patriarch, de eerste onder zijns gelijken, teneinde het preconciliaire, panorthodoxe proces weer op gang te brengen in het kader waarvan deze problematiek opgelost moet worden, rekening houdend met de aanbevelingen van alle orthodoxe bisschoppen in West-Europa en van het volk Gods, dat aan hen is toevertrouwd. • Het Aartsbisdom wil de bijzondere band van liefde en respect met de Kerk van Rusland, die in de harten van haar gelovigen leeft, bewaren en stimuleren. In de mate van zijn krachten heeft het Aartsbisdom altijd gepoogd - en doet dat nog - hulp te bieden aan Rusland, door haar organisaties en verenigingen, die door de jaren heen gesticht en bezield werden door de gelovigen van het Aartsbisdom, zoals: “Aide aux Croyants de l’URSS” (inmiddels ACER-Russie geheten), de uitgaven van YMCA-press, de uitzendingen van de “Voix de l’Orthodoxie”, het Diocesaan Comité voor humanitaire hulp aan parochies in Rusland en onlangs nog de hulpactie voor de slachtoffers van het gijzelingsdrama in Beslan. • In haar trouw aan de Russische traditie en overeenkomstig de orthodoxe kerkleer, die uitgaat van de territorialiteit van de Kerk in één duidelijk bepaald en omschreven gebied, houdt het Aartsbisdom vast aan zijn roeping te streven naar een lokale Kerk op territoriale grondslag. • In dit verband zijn wij God dankbaar, dat wij in Frankrijk beschikken over over een centraal punt van overleg in de vorm van de “Assemblée des evêques orthodoxes en France (AEOF), die volgens de besluiten van het voorbereidende interorthodox preconciliair overleg van Chambésy, gehouden in 1991 en 1993, Wij zijn dan ook bijzonder verheugd over het initiatief van de AEOF om met een delegatie, waarvan ook Aartsbisschop Gabriël deel zal uitmaken, de verschillende territoriale patriarchaten te bezoeken teneinde bij hen de situatie de kerkelijke situatie in Frankrijk en West-Europa uit te leggen en toe te lichten en met hen de perspectieven te bespreken van een verenigde lokale Orthodoxie. • De geloofsoverdracht aan de nieuw-aangekomenen, die in West-Europa een toevlucht zoeken, moet onze absolute prioriteit krijgen. De traditie van onze Kerk, in Rusland zowel als als in de emigratie, die de onlangs gecanoniseerde heiligen - moeder Maria en haar gezellen - ons hebben voorgeleefd, dwingen ons het onthaal van deze migranten ter hand te nemen. Tot het opnemen van deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid heeft Mgr. Gabriël ons tijdens de Algemene Vergadering van 1 mei 2003 en 1 mei 2004 opgeroepen en wij moeten er allen actief aan deelnemen. Doen wij op dit gebied wel voldoende? Het spreekt voor zich dat wij daarbij onze krachten moeten bundelen, in samenwerking met de diocesen van de andere patriarchaten, teneinde hun sociale, materiële, juridische en geestelijke nood te lenigen, waaraan zovelen onder hen behoefte hebben. • Tot slot doen wij een dringend beroep op al onze gelovigen, de kostbare schat van de onderlinge eenheid te bewaren. Een gedachtenwisseling is belangrijk en legitiem, maar polemiek binnen de Kerk heeft zijn grenzen. Als er al meningsverschillen zijn, dient toch - volgens het woord van de apostel in Ef. 4,3 - in alles de waarheid gezocht te worden. Het Aartsbisdom heeft een belangrijke kerkelijke zending en die dient onze houding te bepalen en vorm te geven aan onze saamhorigheid, rond de figuur van onze Aartsbisschop. De toekomst is in Gods hand, maar - zoals de Diocesane Raad het al in 2003 geformuleerd heeft - slechts in nederigheid en uitgaande van de betekenis en de werkelijkheid van de Kerk kunnen wij samen onze enige Heer en Meester dienen, in eenheid en communio met Zijn onzegbare genade. 1 De tekst van deze brief, die opgesteld is in het Frans, is verkrijgbaar bij de Administration Diocésaine. VERKLARING van de DIOCESANE RAAD (II)Parijs, 12 januari 2005(betreffende de brief van Z.H. Patriarch ALEXIS II van 1 april 2003 over de vorming van een autonome Metropolie voor Westeuropa onder de jurisdictie van het Patriarchaat Moskou) De Diocesane Raad, in vergadering bijeen op 12 januari 2005, onder voorzitterschap van Z.E. Aartsbisschop Gabriël van Komana, heeft kennis genomen van de gepubliceerde verklaringen en besluiten van de Heilige Synode van het Patriarchaat Moskou, genomen tijdens haar zitting van 24 december 2004. De publikatie hiervan is op ruime schaal verbreid door de OLTR (“Orthodoxie Locale de Tradition Russe”) en heeft voornamelijk betrekking op “de relatie met het Exarchaat van orthodoxe parochies van Russische traditie in West-Europa behorende tot het Patriarchaat van Constantinopel” (einde citaat). Genoemde verklaringen en besluiten bevatten onder meer reacties op de eerste verklaring van de Diocesane Raad van 9 december j.l. De Diocesane Raad stelt met leedwezen vast dat het Patriarchaat Moskou er op generlei wijze blijk van geeft, de positie van ons Aartsbisdom/Exarchaat te begrijpen; eveneens ontbreekt de wens in gesprek te treden met Z.E. Aartsbisschop Gabriël en diens Raad, die toch wettelijk en rechtmatig gekozen zijn aan het hoofd van het Aartsbisdom. Liever beperkt men zich tot de “mondelinge en geschreven reacties van geestelijken en leken, die bedroefd en ongerust zijn over de houding van de leiding van het Aartsbisdom/Exarchaat, die niet bijdraagt aan een een toenadering tot de Russisch Orthodoxe Kerk en die een onwelwillende houding weerspiegelt t.o.v. diegenen, die een werkelijke toenadering wensen” (einde citaat). Verschillende malen komen we dit woord “leiding” tegen in de verslagen van de Heilige Synode, alsof deze “leiding” niet zou overeenkomen met de wens van de gelovigen, terwijl zowel de Aartsbisschop alsook de Diocesane Raad en de handelingen en besluiten van beide juist de uitdrukking zijn van deze wens. De Diocesane Raad wijst er in dit verband nog eens op, dat met name door het Aartsbisdom/Exarchaat de richtlijnen van het Concilie van Moskou van 1917/1918 nauwkeurig gevolgd worden; zo werd Z.E. Aartsbisschop Gabriël gekozen met een meerderheid van ruim twee-derde van de stemmen; de gedelegeerden, die aan deze verkiezing deelnamen waren afkomstig uit alle parochies en gemeenschappen van het Aartsbisdom/Exarchaat en de uitslag werd, wederom volgens onze statuten, bevestigd door de Heilige Synode van het Oecumenisch Patriarchaat. Ook de leden van de Diocesane Raad werden bij deze gelegenheid ge- of herkozen met twee-derde meerderheid en dit al in de eerste stemronde. Ook betreurt de Diocesane Raad dat het Patriarchaat Moskou de situatie blijft beoordelen, daarbij uitsluitend afgaande op informatie van een beperkte groep personen, zonder rekening te houden met de gevoelens, die nog steeds leven binnen het Aartsbisdom/Exarchaat m.b.t. de “open brief” van 1 april 2003, die werd ontvangen op het moment dat de aartsbisschoppelijke zetel vacant was; op zijn zachts gezegd getuigt dit van een onhandigheid. Het is duidelijk, dat op deze basis geen onderhandelingen konden worden geopend. Voor ons is en blijft de orthodoxe ecclesiologie dezelfde, doorheen de loop van de geschiedenis en ongeacht het lot van keizerrijken heen. In die zin sprak in 1926 ook metropoliet Sergei (Stragorodsky) van Nizjny Novgorod, toenmalige vervanger van de locum tenens van de patriarchale troon. Toen enige bisschoppen hem ondervroegen over Russische emigranten in Servië en of deze een eigen Synode moesten gaan vormen, antwoordde Metropoliet Sergei immers dat, i.p.v. één enkele centrale structuur op te zetten voor de gehele Russische emigratie, “het beter ware Gods wil te aanvaarden (...) en de canons van de Kerk te respecteren” (citaat); en heeft hij toen ook niet te kennen te geven, dat de enig juiste en legale weg voor deze Russen daarin bestond, zich te integreren in de plaatselijke orthodoxe Kerk van de Balkan, waar zij zich inmiddels gevestigd hadden? Voor degenen echter, die leven in gebieden en landen waar zich geen orthodoxe Kerk bevond, zag Metropoliet Sergei geen andere oplossing dan de vorming van “plaatselijke, onafhankelijke Kerken, waarbij ook niet-Russische orthodoxen zich zouden kunnen aansluiten” (citaat). Dit antwoord van Metropoliet Sergei is feitelijk het enige, dat overeenkomt met de orthodoxe ecclesiologie. Het is waar, dat het voorlopige Russische Exarchaat voor West-Europa, dat door het Oecumenisch Patriarchaat in 1931 op verzoek van Metropoliet Evlogi z.g. werd opgericht, door hetzelfde Patriarchaat in 1965 werd opgeheven. Dit gebeurde onder druk van het Patriarchaat Moskou en zonder dat het Exarchaat vooraf hiervan op de hoogte was gesteld. Sindsdien volgt het Aartsbisdom zijn eigen weg, met - vanaf 1971 - een voorlopig eigen statuut van autonomie, maar weer onder de hoede van het Oecumenisch Patriarchaat. Dit bijzondere statuut werd in 1991 door een Patriarchale Tomos (= besluit, oekaze) nog uitgebreid en bevestigd. Want als het Aartsbisdom/Exarchaat zich verder blijft beschouwen als een tijdelijke kerkelijke structuur, dan is dat niet meer in relatie tot welke “Moederkerk” dan ook, maar in verhouding tot de wereldwijde kerkelijke “diaspora”, zoals wijlen Aartsbisschop Georges (van Evdokia) heeft uiteengezet tijdens de Pastorale Vergadering van 20 febr. 1981: “Vijftig jaar geleden scheen heel ons leven “voorlopig”, zoals ook onze kerkelijke structuur ons “voorlopig” en tijdelijk scheen. Onze gelovigen waren vrijwel uitsluitend vluchtelingen, die van de ene dag op de andere weer zouden kunnen verder trekken. Onder die omstandigheden werd in 1931 dan ook een “voorlopig” Exarchaat in het leven geroepen. Daarentegen is het, sinds de Patriarchale Tomos van 1971, duidelijk geworden dat de nieuwe organisatievorm van onze kerkelijke structuur geldig blijft tot het moment, waarop het probleem van de diaspora in zijn geheel geregeld zal zijn, overeenkomstig de canonieke regels, door een Groot en Heilig Concilie” (einde citaat). Te beweren, dat wijlen Aartsbisschop Serge “de toekomst van het Aartsbisdom zou hebben gezien in het herstel van de canonieke eenheid met het Patriarchaat van Moskou” (citaat), komt niet overeen met de werkelijkheid. Op 9 november 2000 schreef wijlen Aartsbisschop Serge aan Z.H. Patriarch Alexis II, naar aanleiding van de overname van een onzer parochies door het Patriarchaat Moskou. In dit schrijven benadrukt Aartsbisschop Serge de canoniciteit en de territoriale integriteit van ons Aartsbisdom/Exarchaat. Wij allen herinneren ons hoe Aartsbisschop Serge ten diepste ontdaan en geschokt was door deze overname. “De zeventig jaren van het bestaan van ons Aartsbisdom onder de obediëntie van het Oecumenisch Patriarchaat en van onze integratie in West-Europa, hebben een geheel nieuwe situatie geschapen (in tegenstelling tot de periode onder Metropoliet Evlogi in 1931. n.v.d.v.). Er is nu geen sprake meer van een eenvoudige terugkeer naar het Patriarchaat van Moskou. Ons Aartsbisdom bestaat niet langer meer uitsluitend uit Russen, al zijn enkele geïsoleerde parochies overgegaan naar het Patriarchaat. Slechts samen kunnen wij naar een oplossing zoeken, in wederzijds respect en broederlijke liefde, teneinde tot een oplossing te geraken van het probleem van de diaspora in West-Europa, op basis van autonomie. Tot elke prijs moet in de toekomst de afkeurenswaardige praktijk vermeden worden, dat individuele personen overgaan van de ene jurisdictie naar de andere. Dit kan de onderlinge verhouding tussen de jurisdicties alleen maar vergiftigen. Bovendien hebben we de laatste jaren maar al te vaak stemmen vanuit de Russische Kerk gehoord (en soms ook handelingen gezien), die tegen de geest van vrijheid ingaan en die vrijheid is juist een onomstotelijk deel van onze erfenis” aldus Aartsbisschop Serge. Daarentegen is het absoluut ontoelaatbaar te beweren dat door ons “ongefundeerde beschuldigingen” zouden zijn gericht tegen geestelijken en leken die “nauwere banden wensen met de Russische orthodoxe Kerk” (citaat). Dit berust op niet geverifiëerde, foutieve informatie, die elke grond missen. Er is in verklaringen van het Patriarchaat Moskou zelfs sprake van canonieke interdicties (canonieke straf, die inhoudt dat aan priesters, tijdelijk of permanent, wordt ontzegd te celebreren. n.v.d.v.), die zouden zijn opgelegd aan geestelijken, die “de richtlijnen willen volgen van Z.E. Metropoliet Evlogi” (citaat). Deze “richtlijnen” ontstonden tijdens de historische periode rond 1945 - meer dan een halve eeuw geleden - en die door de Metropoliet later hevig werden betreurd, omdat ze overhaast en ondoordacht waren. Het is des te meer verbazingwekkend, dat de Heilige Synode van het Patriarchaat Moskou geen enkele melding maakt van de veranderde houding van de opvolger van Metropoliet Evlogi: Metropoliet Vladimir (Tichonicky) z.g., een houding, die sindsdien werd voortgezet door diens opvolgers tot op de dag van vandaag. De Diocesane Raad neemt met verbazing kennis van de beslissing van het Patriarchaat Moskou, geen rekening te houden met disciplinaire maatregelen, die genomen zijn of nog genomen worden tegen deze of gene geestelijke of leek, indien opgelegd door ons Aartsbisdom/Exarchaat (Notulen van het Patriarchaat, 24-12-2004; no. 92, § 3). Dit besluit wordt door de Diocesane Raad betreurd, evenals het besluit individuele priesters en/of parochies, die deel uitmaken van ons Aartsbisdom en die zulks wensen, in het Patriarchaat op te nemen, zonder canonieke ontslagbrief (Notulen, id. 93). De Diocesane Raad betreurt deze beslissing ten diepste, omdat zij indruist tegen de letter en de geest van de heilige canones, die zeggen dat “geen enkele bisschop het recht heeft zich in te mengen in de pastorale, administratieve of disciplinaire aangelegenheden van een diocees, anders dan het zijne” (67e canon van het Concilie van Carthago). Deze houding, die door het Patriarchaat Moskou tegenover ons Aartsbisdom/Exarchaat wordt ingenomen is des te onaangenamer, omdat het Aartsbisdom/Exarchaat zich van zijn kant nooit heeft ingemengd in de zaken van het Patriarchaat Moskou - ook niet in de tijd, dat de hiërarchie in Rusland tot tot een minimum was teruggebracht. Evenmin heeft het Aartsbisdom/Exarchaat zich ooit negatief uitgelaten ten opzichte van de Kerk van Rusland. Integendeel: het Aartsbisdom/Exarchaat is steeds te hulp gekomen als de Kerk van Rusland of haar gelovigen dat nodig hadden; in de eerste plaats - en onophoudelijk - door gebed voor het lijdende Russische volk en de duizenden martelaren en belijders, maar ook door bekendheid te geven aan de wrede vervolging van de Kerk van Christus, die toen in Rusland plaatsvond. En ook nu zijn er nog steeds activiteiten, gezamenlijke en persoonlijke, georganiseerd en voortgezet dankzij de inzet van geestelijken en leken van het Aartsbisdom/Exarchaat. Deze activiteiten hebben betrekking op het ter beschikking stellen en verspreiden van geestelijke lectuur in heel Rusland, katechese via radio-uitzendingen, het verlenen van materiële en medische hulp, enz. Het moge duidelijk zijn, dat de onjuiste informatie van de zijde van het Patriarchaat Moskou met betrekking tot de interne aangelegenheden van het Aartsbisdom/Exarchaat, evenals de onderscheiden interpretatie van de geschiedenis en van de canonieke grondslag van het Aartsbisdom/Exarchaat, alsook van zijn verhouding met de Russisch-Orthodoxe Kerk, in hoge mate bijdragen tot de opeenstapeling van misverstanden en betreurenswaardige spanningen tussen beide. Gezien deze omstandigheden stelt de Diocesane Raad aan Z.H. Patriarch Alexis voor, een delegatie te willen ontvangen van het Aartsbisdom/Exarchaat, opdat deze zelf het standpunt van het Aartsbisdom/Exarchaat kan uiteenzetten en met Zijne Heiligheid alle aspecten van de canonieke situatie van de Orthodoxie in West-Europa kan bespreken. Met de zegen van Z.E. Aartsbisschop Gabriël, is dit voorstel gedaan, nadat hiertoe de zegen ontvangen zal zijn van Z.H. de Oecumenische Patriarch Bartholomeos I. Wij spreken de hoop uit, dat Zijne Heiligheid Patriarch Alexis met dit verzoek zal instemmen en met de leden van de delegatie van gedachten zal wisselen in een open en broederlijke dialoog, teneinde de “standvastigheid van de Heilige Kerken van God” te begunstigen, opdat vrede en eendracht moge heersen onder de orthodoxe gelovigen in West-Europa, waar de Heer ons geroepen heeft te leven. + Aartsbisschop Gabriël van Komana en Exarch van de Oecumenische Patriarch
|