Korte geschiedenis van het Aartsbisdom/Exarchaat

Het Aartsbisdom is de wettelijke opvolger van de “Voorlopige Administratie van de Russische parochies in West-Europa”, opgericht door de heilige Patriarch Tichon van Moskou; deze “Voorlopige Administratie” werd toevertrouwd aan Aartsbisschop Evlogi (oekaze 423 en 424, d.d. 8 april 1921),  met zegen van de heilige Metropoliet Benjamin van Petrograd, die tot dan toe de jurisdictie uitoefende over de religieuze instellingen van de Russisch orthodoxe Kerk in West-Europa (brief d.d. 21 juni 1921).
De “Voorlopige Administratie” werd omgevormd tot “Tijdelijk Russisch orthodox Exarchaat van de Heilige Apostolische en Patriarchale Troon in West-Europa” door de Oecumenische Patriarch Fotios II (charta van 17 febr. 1931); dit geschiedde op verzoek van Metropoliet Evlogi, omdat het niet  langer mogelijk was normale en regelmatige contacten te onderhouden met het centrale gezag van de Kerk, die immers op dat moment overgeleverd was een goddeloze en anti-religieuze macht, die een bloedige vervolging ontketend had van de Kerk en haar gelovigen. Daarom greep Metropoliet  Evlogi, van zorg vervuld om de integriteit en de onafhankelijkheid van  de parochies die aan hem waren toevertrouwd te bewaren, evenals de communio met de volheid van  de orthodoxe Kerk, de moglijkheid aan zich onder de bescherming te stellen van de Oecumenische Patriarch – de primus inter pares van het gehele orthodoxe episcopaat. Deze beslissing van Metropoliet Evlogi werd goedgekeurd door Patriarch Benjamin van Constantinopel (brieven van 23 januari 1937 en 22 december 1939) en bekrachtigd door Patriarch Maximos (brief van 6 maart 1947).
In een brief, gedateerd 22 november 1965, sluit Patriach Athenagoras I het “Tijdelijk Exarchaat”. Een Algemene Buitengewone Vergadering, gehouden van 16 – 18 februari 1966, komt tot het besluit dat het tot dan toe “voorlopige” karakter van haar kerkelijke structuur, niet meer van toepassing was, omdat inmiddels een derde (en inmiddels vierde) generatie van de Russische emigratie zich definitief in het Westen gevestigd heeft;  ook heeft een toenemend aantal bekeerlingen van Westerse afkomst zich bij het Exarchaat aangesloten.
Na een korte periode van onzekerheid ten gevolge van de opheffing van het Exarchaat, werd het Aartsbisdom opnieuw opgenomen in de schoot van het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel, met eigen interne, autonome status (charta van Patriarch Athenagoras I, d.d. 22 januari 1971).
In 1999 herkreeg het autonome Aartsbisdom zijn status van Exarchaat van het Oecumenisch Patriarchaat (tomos d.d. 19 juni 1999).

 

MOSKOU EN CONSTANTINOPEL

door Dr. Gerd Stricker *

Door de doop van het volk van Kiev in het jaar 988, op bevel van Vorst Vladimir, kwamen de oost-slavische landen in de invloedssfeer van de byzantijnse cultuur. De verovering van Constantinopel door de Osmanen in 1453 maakte de Oecumenische Patriarch tot dienaar van de Osmaanse sultan, hetgeen leidde tot een enorm gezagsverlies van de Patriarch.

In Moskou, c.q. in het Russische Rijk - het enige land met een “rechtgelovige” heerser - werd rond 1510 de gedachte geformuleerd, dat Moskou de erfenis van Constantinopel moest overnemen. Tot vandaag is deze gedachte aktueler dan ooit. “Het eerste en het tweede Rome zijn gevallen, het derde is vast gevestigd en een vierde zal er nooit komen”; dat schreef in 1510 een Russische monnik uit Pskov aan Grootvorst Vasily III in Moskou. Bedoeld werd: het eerste Rome, eens het centrum van de christelijke wereld, was van het rechte geloof afgevallen. Uiterlijk in het jaar 1054 (het schisma tussen oost en west) was dit duidelijk geworden. Het tweede Rome – Constantinopel – werd in 1453 door de Osmanen veroverd en maakte van de Patriarch een slaaf van de sultan. Het derde Rome echter is Moskou, “en een vierde zal er niet zijn”. Deze theorie van Moskou als het derde Rome maakte Moskou tot eindpunt en doel van de geschiedenis.

Toen deze theorie in 1510 werd geformuleerd, lag de val van Constantinopel pas zestig jaar terug. Wat dit voor de orthodoxe wereld, en met name voor de Balkan, betekende, is tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar. Constantinopel, door de slavische wereld bewonderend ‘Keizerstad’ (Tsargrad) genoemd - het stralende middelpunt van het Oosten – was veroverd door de heidense Osmanen en Moskou was bereid deze rol over te nemen.
Inderdaad bezat de Patriarch na de val van Constantinopel nauwelijks nog enige autoriteit; Moskou daarentegen was de belangrijkste orthodoxe staat. De moslems (en de Polen) hadden alle andere orthodoxe landen veroverd. De oude Patriarchaten (Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jerusalem) stuurden afgevaardigden uit om te bedelen, vooral naar Moskou, en in de regel werden zij ruimhartig door de Tsaar ondersteund. Hopend op de verdrijving van de Osmanen, waren de ogen van de Slaven op de Balkan gericht op de machtige Tsaar in Moskou.

CONSTANTINOPEL HEEFT “DE ORTHODOXIE VERRADEN”.

Het verlies aan autoriteit van de Patriarch van Constantinopel dateerde reeds van vóór 1453. Nadat de Keizerstad jarenlang belegerd en vijwel de gehele Balkan door de Osmanen veroverd was, zochten Keizer Johannes VIII en Patriarch Josef II hulp in het Latijnse Westen. Op het Concilie van Ferrara-Florence (1438/39) onderwierpen ze zich aan de Paus (de z.g Unie van Florence - 1439). In de ogen van Moskou had Constantinopel daarmee “de Orthodoxie verraden”. De hulp - door Rome beloofd – bleek uiteindelijk minimaal, zodat Constantinopel toch nog ten offer viel aan de Osmanen.

Hoewel  Constantinopel na de Osmaanse verovering tot de “rechtgelovigheid” terugkeerde, bleef de morele schade van de “Unie van Florence”  enorm, vooral in  het Noorden, in het land van de “Rus’ “. Van de noodsituatie, waardoor Constantinopel tot het aanvaarden van de “Unie van Florence” met de gehate Katholieken a.h.w. gedwongen was, was in het Noorden niets concreets bekend. Daardoor bleef daar het “verraad” van Constantinopel zorgen voor haat en wantrouwen jegens alles wat “Grieks” was.

De sinds de “Unie van Florence” (1439) ten diepste verstoorde verhouding tussen Moskou en de Moederkerk van Constantinopel (van waaruit in 988 de kerstening van het Rijk van Kiev plaatsgevonden had, dus 550 jaar vóór het Concilie van Florence)  was niet iets abstracts, maar trof het hart van de Moskouse Metropolie, die tot 1453 immers onderworpen was geweest aan de Patriarch van Constantinopel en deze hechtte er grote waarde aan, dat aan het hoofd van de Moskouse Metropolie iemand van zijn keuze stond. Daarom waren tot dan toe dan ook de meeste Moskouse metropolieten Grieken.

DE REACTIE VAN MOSKOU OP DE UNIE

Na het sluiten  van de Unie van Florence, stuurde Patriarch Metrophanes II in 1441 een “Unie-gezinde” Metropoliet naar Moskou – de Griek Isidoor –  die echter, bij aankomst in Moskou, onmiddellijk gevangen wordt gezet. Omdat het Patriarchaat Constantinopel door het ondertekenen van de Unie in Moskouse ogen de Orthodoxie verraden had, koos de Moskouse bisschoppensynode in 1448, zonder Constantinopel ook maar te verwittigen, de “Unie-vijandige” bisschop Iona aan het hoofd van de Moskouse Metropolie. Daarmee was de definitieve breuk met Constantinopel een feit: Moskou was autokefaal; de verheffing echter van Metropolie tot Patriarchaat volgde pas 141 jaar later, in 1589 – ditmaal met toestemming van Constantinopel.

Het belangrijkste verschil tussen Grieken en Slaven lag in mentaliteit en vorming. Intellectueel gezien waren de Slaven de mindere en bij lange niet opgewassen tegen de Grieken. Theologische discussies, door de Grieken met logika en scherpte gevoerd, waren in de ogen van de Slaven vreemd en onbegrijpelijk en daarom verdacht. De Slaven stonden wantrouwend tegenover de listige Griekse argumentaties. Anderzijds hadden de Grieken de gewoonte aangenomen hun slavische geloofsbroeders vanuit de hoogte te behandelen. Dit leidde tot een  ‘Griekse’ en een ‘Slavisch/Roemeense’ Orthodoxie en tussen beide tradities gaapt tot op vandaag een kloof, die de onderlinge betrekkingen vaak vertroebelt.

Ook het feit dat het Patriarchaat Constantinopel gedurende de gehele tijd van de Osmaanse onderdrukking (van ±1390 tot ±1900) aan geen van de dochterkerken op de Balkan autokefalie (zelfstandigheid) heeft willen verlenen, verklaart de koele houding tegenover het Patriarchaat Constantinopel.

Bovendien beschouwde de bevolking van de Balkan (evenals de Roemenen) de orthodoxe Patriarch als de “verlengde arm” van de Sultan, omdat hij (de Patriarch) als “Ethnarch” van het christelijke deel van het islamitische Rijk, als “Radzja” werd beschouwd. Deze positie werd door het Oecumenische Patriarchaat benut om met behulp van Griekse geestelijkheid de Slavische Kerken op de Balkan te helleniseren. Maar in de gedachten van de bevolking op de Balkan leeft de herinnering aan deze periode van de heerschappij van het Fanar (zetel van de Oecumenische Patriarch), nog steeds pijnlijk voort.

Afgezien van deze gevoelens over het Oecumenische Patriarchaat  bij de niet-Griekse orthodoxen, zijn daar nog de specifieke fenomenen die typisch zijn voor het Patriarchaat Moskou. De theorie van “Moskou als het derde Rome” (1510) leverde uiteindelijk de historische achtergrond voor de overgang van de leiding over de Orthodoxie van Constantinopel naar Moskou. Tot in de 19e eeuw bleef het Russische Rijk het enige - en belangrijkste – vrije orthodoxe land met een rechtgelovige heerser. Terwijl de invloedssfeer van de Patriarch van Constantinopel tegelijk met de neergang van het Osmaanse Rijk wegsmolt, groeide het grondgebied van het Patriarchaat Moskou enorm door de uitbreiding van het Russische Rijk tot aan de Pacifische Oceaan en de grenzen van China, vooral in de 18e en de 19e eeuw.

De Russische droom, de erfenis van Constantinopel over te nemen, viel in beide genoemde eeuwen samen met de ambities van de Russische tsaren de Osmanen uit Constantinopel te verdrijven en ‘Tsar-grad’ - ‘Keizer-stad’ - voor het christendom terug te winnen. Daarmee verbonden was de gedachte dat de waardigheid van Constantinopel dan vanzelf op Moskou zou overgaan. Maar ondanks de militaire inzet van het Russische Rijk op de Balkan werd dit doel nooit bereikt.

MOSKOU EN CONSTANTINOPEL IN DE SOVJET-TIJD.

Voor de Tweede Wereldoorlog, met name tijdens de periode van de Sovjet-terreur in de jaren ’30, was de druk van de vervolgingen te groot dan dat men zich aan dromen, zoals “Moskou – het derde Rome”, kon overgeven. Dat veranderde na de Grote Vaderlandse Oorlog. Na de duitse invasie in de Sovjet-Unie (22 juni 1941) had de Kerk zich in diverse verklaringen ondubbelzinnig achter Stalin opgesteld en hem met haar gebeden begeleid. In dat uur van het hoogste gevaar, mobiliseerde Stalin al zijn reserves, in de allereerste plaats: de Russisch orthodoxe Kerk. Maar ook andere religieuze gemeenschappen werden ingezet voor de verdediging van het vaderland. Vanaf 1943 werd voor elk van hen een plaats ingeruimd binnen de sovjet maatschappij, zodat na de oorlog de sovjet propaganda Stalin kon roemen als de “Grote Leider der volkeren”, die de “teutoonse fascistische horden” overwonnen had en Europa van de Nazi’s had bevrijd. Daarom moest op het internationale parket “zijn” Kerk - het Patriarchaat Moskou - die leidende rol krijgen, die Stalin in zijn grootheidswaan voor ogen stond.

Met dit doel nodigde het Patriarchaat - d.w.z. Stalin - de vertegenwoordigers van alle orthodoxe Kerken uit, van 9 tot 16 juni 1948 naar Moskou te komen ter gelegenheid van de viering van 500 jaar autokefalie. Het was duidelijk dat het Stalins bedoeling was, alle orthodoxe Kerken als één man achter het Moskous Patriarchaat, en dus achter de Sovjet-staat te krijgen. Dit plan mislukte: de Kerken van Constantinopel en Griekenland weigerden de, in het Kremlin opgestelde, politieke ‘gemeenschappelijke’ verklaring te ondertekenen. De andere orthodoxe Kerken, die allen leden onder het communisme, waren wel gedwongen, nillens-willens, deze “Pax Sovjetica” te ondertekenen, zoals ook later in het Oostblok gebruikelijk was met betrekking tot politieke verklaringen. Tijdens de koude oorlog heeft de kloof tussen de Griekse orthodoxie in de vrije wereld en de Slavische/Roemeense orthodoxie zich verder verdiept.

TOENEMENDE SPANNINGEN NA DE VAL VAN DE MUUR

Na het ineenstorten van het communisme en de politieke gevolgen die dit met zich meebracht, traden onverwachte spanningen op tussen Moskou en Constantinopel. In 1996 trad een scheuring op in Estland: ethnische Esten verlieten de Estnische orthodoxe Kerk (Patriarchaat Moskou) en wendden zich tot Constantinopel. Voor velen in West-Europa was dit volkomen onbegrijpelijk. Zoals steeds geeft hier een historische terugblik meer inzicht.

De (lutheraanse) provincies Estland, Livland en Kurland - tegenwoordig Estland en Letland - waren in resp.1709 en 1795 ingelijfd in het Russische Rijk. In de periode 1840 - 1845 kwam het tot een door de Russische staat gedreven, maar twijfelachtige missioneringscampagne: aan de Balten werd land beloofd in ruil voor een overgang naar de orthodoxe Kerk. Ongeveer 70.000 Esten en Letten gaven gehoor aan deze oproep. Een volkseigen liturgietaal ontwikkelde zich en aldra voltrok het liturgische en kerkelijke leven zich in de volkstaal. Uiteraard behoorden de nieuwe baltische bisdommen tot de Heilige Synode in St. Petersburg.
Na de Eerste Wereldoorlog werden beide Baltische landen, evenals Litouwen, onafhankelijk; de orthodoxe bisdommen maakten zich los van het Patriarchaat Moskou en stelden zich onder het omoforion van het Patriarchaat van Constantinopel. Moskou reageerde bitter, te meer daar Constantinopel aan het begin van de twintiger jaren van de vorige eeuw een schismatieke beweging in de Sovjet-Unie (de z.g. “obnovlenstcestvo” -  “vernieuwers”) erkend had.

Na de annexatie van het Balticum door de Sovjet-Unie (1944) werden alle orthodoxe bisdommen direct weer onder het Patriarchaat van Moskou gesteld; de in groten getale geïmporteerde Russen, Oekraïners en Wit-Russen brachten een onmiddellijke russificatie van de Estnische Kerk teweeg. In de meer landelijke gebieden slaagden de Esten er echter in hun eigen Estnische liturgische taal te behouden; het Lets is als liturgische taal echter volkomen verdwenen.

Toen de Baltische landen, na de val van de Muur en de daarop volgende omwentelingen in de jaren ’90, opnieuw hun onafhankelijkheid verkregen, besloten de orthodoxe Esten zich in 1995/96 opnieuw, na lange onderhandelingen, van het Patriarchaat Moskou los te maken en naar de jurisdictie van Constantinopel terug te keren, juist zoals na de Eerste Wereldoorlog. Daarop bereikt de verhouding Moskou / Constantinopel een dieptepunt, totdat de Patriarch van Moskou uiteindelijk de vorming van een Estnisch bisdom onder Constantinopel, eveneens zetelend in Talinn, accepteert. In Letland spelen de ontwikkelingen zich niet in de openheid af; in Litouwen, waar de orthodoxe Kerk sowieso vrijwel uitsluitend uit Russen bestaat, verandert niets.

Oekraine

De onafhankelijkheid van Estland, Letland en Litouwen - voormalige communistische satellietstaten – heeft ook in de Oekraïne tot een splitsing binnen de Orthodoxie geleid. Nationalistische orthodoxe Oekraïners verlaten de Russisch orthodoxe Kerk van het Patriarchaat Moskou; dit was overigens al begonnen  vóór  de teloorgang van het Sovjet-imperium, en wel in 1989. Vanaf het begin echter viel deze groep gelovigen uiteen in twee kampen.: de “Oekraïns orthodoxe Kerk van het Patriarchaat Kiev” en de “Autokefale orthodoxe Kerk van Oekraïne”. Geen van beide “Kerken” is overigens erkend door de wereldwijde Orthodoxie; beide zijn “onkanoniek”. Weliswaar is de Oekraïns orthodoxe Kerk van het Patriarchaat Moskou met zijn 11.000 parochies bijna 3 x groter dan beide andere groepen, die samen  nog geen 4000 parochies bevatten, maar ze zijn er desondanks in geslaagd de parochies van het Patriarchaat vrijwel volledig uit het Westen van het land te verdringen, juist in dàt deel van het land, waar onder het sovjet-regime de meeste van de toen bestaande parochies (3000 van 6800 parochies in totaal) was gevestigd.

Deze splitsing duidt op de gecompliceerde verhouding Russen vs. Oekraïners. De laatsten voelen zich al sinds eeuwen door de Groot-Russen overheerst en onderdrukt en, als volk, niet erkend. En daarin zien zij ook de reden, waarom hen een nationale Kerk wordt onthouden. Hun onvermoeid pogen binnen het Patriarchaat van Constantinopel een canonieke plaats te veroveren, maakt de toestand uiterst ontvlambaar.  
 
Hier en daar wordt het vermoeden uitgesproken dat Patriarch Bartholomeos zijn kleine kudde, die overigens in de Europese diaspora en Noord Amerika niet onaanzienlijk is, graag met enige miljoenen orthodoxe Oekrainers zou willen uitbreiden. En inderdaad hebben de Oekrainers historische redenen voor hun streven opgenomen te worden binnen het Oecumenische Patriarchaat:: tenslotte stonden zij in de tijd van het Pools/Litaus koninkrijk gedurende 250 jaar onder het Patriarchaat van Constantinopel (1458 – 1701).
Met, naar eigen zeggen, 100 miljoen gelovigen zou het Patriarchaat Moskou - vanuit zijn numerieke overmacht - het wel op een krachtproef durven laten aankomen. Een ‘overname’ door Constantinopel zou echter ook een splitsing binnen de Orthodoxie teweeg brengen. Zover zal Constantinopel het zeker niet willen laten komen. In de nieuwe Russische staatsideologie (“Russisch patriottisme met orthodoxe kern”), door president Poetin bevolen, heeft het Patriarchaat Moskou heden een geheel eigen en geprivilegiëerde positie; daarom roept elke vorm van toenadering tussen Oekrainse kerkleiders en het Patriarchaat Constantinopel heftige reacties op vanuit Moskou. Bovendien zal Patriarch Bartholomeos er rekening mee moeten houden dat president Poetin  onder alle omstandigheden “zijn” Patriarch Alexis zal steunen en Constantinopel onder zware druk zal zetten.

Conflicten in Midden- en Westeuropa

Een oud conflict tussen Moskou en Constantinopel trad in de jaren negentig (van de vorige eeuw) weer op de voorgrond.
De omwentelingen in Rusland - tussen 1917 en 1991 – hadden miljoenen Russen naar het Westen doen vluchten. In 1920 werd in Servië door Russische emigranten de z.g. “Buitenlandse Synode” gesticht (in 2007 overigens weer opgenomen in het Patriarchaat Moskou). Voor de talrijke, maar meer liberale emigranten in Midden- en Westeuropa was de Buitenlandse Synode echter te reactionair en in 1926 kwam het tot een splitsing: Metropoliet Evlogi van Parijs maakte zich los van de Buitenlandse Synode en stichtte zijn Metropolie van Westeuropa (incl. Duitsland) en stelde zich onder de obediëntie van het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel. Sindsdien is – met enige onderbrekingen – het Aartsbisdom van Russisch orthodoxe kerken in Westeuropa (met zetel in Parijs) steeds deel geweest van het Patriarchaat van Constantinopel.

Metropoliet Evlogi, een overtuigd oecumenist, bouwde zijn bisdom – met het gerenommeerde Theologisch Instituut St. Serge – uit met financiële steun van de Rooms-Katholieke en de Anglikaanse Kerk. Het Instituut St. Serge, dat tot op de dag van vandaag een oecumenische geest ademt, wordt door het Patriarchaat Moskou steevast als ‘liberaal’ bestempelt; zo komt het - kort na de val van het communisme - in een priesterseminarie in Rusland tot een boekverbranding van de werken van enige professoren van “St. Serge” (Boulgakov, Schmemann, Meyendorff).

Het ligt geheel in de lijn van Poetin alle Russen buiten het vaderland via de orthodoxe kerkelijke structuren weer aan Moskou te binden. Na het herstel van de communio met de Buitenlandse Synode (2007), is het voor hem van het grootste belang het Russisch Exarchaat van Parijs - onder obediëntie van Constantinopel – eveneens opnieuw aan het Patriarchaat Moskou te binden. Weliswaar celebreren de ± 90 parochies van het Russisch Exarchaat (waarvan de meeste in Frankrijk liggen) de liturgische diensten niet meer in het Kerkslavisch, maar in de volkstaal. De afstammelingen van de Russische Emigratie binnen dit Exarchaat zijn grotendeels geassimileerd, zowel betreffende spraak als kultuur; bovendien bestaat een groot deel van deze parochies uit ‘bekeerlingen’. In het supranationale Exarchaat heerst een geest van openheid, oecumene en geestelijke vrijheid, die karakteristiek is binnen het Oeumenisch Patriarchaat.
De leiding van het Parijse Exarchaat heeft tot nu toe aan de druk vanuit Moskou niet toegegeven. Het huidige Russische nationalisme, dat met een nieuwe golf inwijkelingen de bestaande parochies overspoelt, wordt deels afwijzend bejegend. Want een nieuwe aansluiting aan het Patriarchaat Moskou betekent, zoals verschillende stemmen uit Moskou bevestigen, een “re-russificatie” van het Exarchaat: invoering van de extreem conservatieve kerkreglementen, herinvoering van het kerkslavisch als liturgische taal, env.. Volgens een uitspraak van Poetin moet “iedere Russische parochie in het buitenland een vertegenwoordiging zijn van de Russische Federatie” en een buitenpost van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken.

De druk op Aartsbisschop Gabriël (De Vylder) neemt steeds toe. Duizenden nieuwe Russen zijn uitgezwermd over de bestaande parochies van het Aartsbisdom, die grotendeels hun wortels in de Russische emigratie hebben en vormen daarbinnen soms zelfs een Moskou-gezinde meerderheid. Bovendien onderneemt het Patriarchaat Moskou, via de officiële Franse instanties, pogingen het Aartsbisdom van haar oudste en fraaiste kerken te beroven.

Een deel, zij het een minderheid, van de gelovigen van het Aartsbisdom in Frankrijk, voelt zich aangetrokken door het sirenenzang vanuit Moskou: de Russische adel van Parijs, voorzien van nieuwe ‘ere-paspoorten’ danst op bals in St. Petersburg en van de oplevende economie in Rusland willen ook de oude emigranten mee profiteren. Velen onder hen zijn ook gefascineerd door de door Poetin herstelde glans op oude kerk-koepels; men is er weer trots op ‘Rus’ te zijn.

Maar zo geraakt het Parijse Aartsbisdom in de zogstroom van het opbloeiende Rusland, geflankeerd door het Patriarchaat en discreet ondersteund door Poetin. En de spanningen tussen de op Constantinopel georiënteerde niet-slavische en de Russische nationalistische gelovigen stellen het Aartsbisdom verder voor grote moeilijkheden.

Conflicten in Midden- en Westeuropa

In het Britse diocees  “Sourozh” van het Patriarchaat Moskou kwam het in 2006 om dezelfde redenen tot een splitsing. Onder de geestelijke leiding van Metropoliet Anthony (Bloom, 1914 - 2004) hadden in de zestiger jaren enige Russisch orthodoxe groeperingen zich tot parochies gevormd onder de jurisdictie van het Patriarchaat Moskou. Evenals in de parochies in Frankrijk in de jaren twintig, heerste in deze parochies eveneens een geest van openheid. Metropoliet Anthony, een charismatische persoonlijkheid, trok mensen aan en veel Anglikanen traden toe tot de Orthodoxe Kerk, waaronder ook enige geestelijken, die de wijding van vrouwen afwezen. Meer en meer werd het Kerkslavisch als liturgische taal vervangen door het Engels en de van oorsprong Russische parochies assimileerden zich meer en meer aan de Britse cultuur.

Tijdens de Koude Oorlog had het Patriarchaat Moskou deze ‘liberale’ tendenzen niet kunnen tegenhouden, omdat Metropoliet Anthony elke beïnvloeding vanuit Moskou (m.n. financiële steun) kategorisch afgewezen heeft.
Vanaf het midden van de negentiger jaren vonden veel ‘nieuw aangekomen’ Russen hun weg naar de parochies van het diocees, met name naar de kathedraal in Londen. Omdat zij het Engels niet meester waren, verzocht Metropoliet Anthony  het Patriarchaat om een Russisch-talige priester te sturen. Spoedig daarna braken de eerste conflicten uit. De nieuwe priester stuurde aan op een re-russificatie van het tot dan toe overwegend engelstalige bisdom. Een massive poging werd in 2002 ondernomen door bisschop Hilarion (Alfeev, thans bisschop van Oostenrijk en Hongarije), die door het Patriarchaat aanvankelijk naar Londen gestuurd werd. Zijn pogen mislukte. Bisschop Hilarion ging echter zo plomp en ondiplomatiek te werk tegenover de oude, charismatische Metropoliet Anthony, dat het Patriarchaat zich genoodzaakt zag hem na slechts vier maanden weer terug te roepen.

Na de dood van Metropoliet Anthony (4 aug. 2003) bevestigde het Patriarchaat weliswaar de door de Diocesane Raad als opvolger van Metropoliet Anthony gekozen hulp-bisschop Basil (Osborne), maar slechts als administrator. Gedurende drie jaren probeerde deze de gerezen problemen, veroorzaakt door steeds toenemende nationalistische druk van de zijde der Russische nieuwe immigranten, met zachtmoedigheid en wederzijds overleg op te lossen. Tevergeefs! Tenslotte moest bisschop Basil constateren dat alles, wat Metropoliet Anthony in 40 jaar aan een oecumenisch georiënteerde, engelstalige orthodoxie had opgebouwd, met de middelen van een door Moskou aangestuurd Grootrussisch nationalisme systematisch vernietigd werd. Daarom verzocht bisschop Basil de Oecumenische Patriarch, hem en zijn engels-georiënteerde parochies onder zijn omoforion op te nemen. Patriarch Bartholomeos stemde hierin toe en verbond hem, als bisschop van een Engels Vicariaat, aan het Exarchaat van Russisch orthodoxe parochies in West-Europa onder Aartsbisschop Gabriël (De Vylder – rue Daru, Parijs).

De reactie uit Moskou liet niet lang op zich wachten. Dat bisschop Basil zonder ontslagbrief door het Oecumenisch Patriarchaat werd opgenomen, was voor het Patriarchaat Moskou aanleiding tot woedende uitvallen en dreigingen. Pas één jaar later, op 16 mei 2007, heeft het Patriarchaat Moskou bisschop Basil, “omwille van de kerkelijke vrede”, officiëel laten gaan.
Van de meedogenloosheid, waarmee het Patriarchaat Moskou zich opstelt tegenover het Oecumenische Patriarchaat, getuigt het gebeuren rond de oorspronkelijk Griekse kathedraal van het Ontslapen van de Moeder Gods in Boedapest, die van 1710 tot 1951 tot de jurisdictie van Constantinopel behoorde. Onder druk van de Communistische Partij werd deze kathedraal in 1951 aan het Patriarchaat Moskou toegewezen. Pogingen van het Oecumenisch Patriarchaat dit godshuis, na de omwentelingen, terug te krijgen (in 2004 en 2005) werden - naar men zegt onder diplomatieke druk van Moskou – afgewezen. In april 2007 werd zelfs aan de Griekse president Papoulias, die de kathedraal privé wilde bezoeken, de toegang geweigerd.

Zo probeert het Patriarchaat Moskou, geholpen door zijn mondiale  machtspositie en gesteund door en onder druk van president Poetin, na 500 jaar de profetie van “het derde Rome” alsnog te verwerkelijken. Officiëel erkent Moskou het ereprimaat van de Oecumenische Patriarch van Constantinopel; maar in de praktijk wordt bij elke gelegenheid geprobeerd, de autoriteit van Constantinopel te ondermijnen.

Of Moskou erin zal slagen met zijn machtspel en nationalistische krachtpatserij Constantinopel te onttronen, is geenszins zeker. Want klaarblijkelijk ligt de sterkte van het Patriarchaat  Constantinopel juist in zijn uiterlijke zwakte.

* (verschenen in G2W, 35, (2007), 12, 16 – 19).

 

VERKLARING van de DIOCESANE RAAD (I)

Parijs, 9 december 2004

(betreffende de brief van Z.H. Patriarch ALEXIS II van 1 april 2003 over de vorming van een autonome Metropolie voor Westeuropa onder de jurisdictie van het Patriarchaat Moskou)

De Diocesane Raad heeft in haar huidige samenstelling sedert een half jaar haar werkzaamheden opgenomen. Zij heeft de moeilijkheden geïnventariseerd, evenals de taken die haar wachten.Tijdens deze periode is het leven van het Aartsbisdom in ernstige mate verstoord door de ‘open brief’ van Patriarch Alexis II van Moskou (gedateerd 1 april 2003) betreffende de weg die gevolgd dient te worden teneinde te komen tot één lokale Kerk in West-Europa. Deze lokale Kerk zou moeten bestaat uit de drie kerkelijke entiteiten, voortgekomen uit de Russische emigratie. Ook andere problemen deden zich voor.
Na dit half jaar en na de algemene vergadering van de geestelijkheid van het Aartsbisdom, die op 1 november van dit jaar op het Institut St. Serge bijeengeroepen is door Z.E. Aartsbisschop Gabriël, heeft de Diocesane Raad tijdens haar zitting van 17 november 2004 besloten haar overwegingen ten aanzien van het bovengenoemde te formuleren en de weg aan te geven, die door haar gevolgd zal worden.

Het Aartsbisdom wil trouw blijven:
• aan de visie op de Kerk - het Lichaam van Christus - en plaats waar de gevallen mens tot leven herboren wordt, hetgeen op geen andere wijze: politiek, nationaal of historisch kan worden bereikt.
• aan de Russische orthodoxe traditie, die gekenmerkt wordt door haar gehechtheid aan een intensief liturgisch leven en door een missionaire geest, die het fundamentele van het bijkomstige weet te onderscheiden en die zich kan aanpassen aan de realiteit van een wereld, die momenteel grote veranderingen ondergaat. Ons Aartsbisdom heeft een geheel eigen, specifieke traditie, zowel in de liturgische praktijk als in haar canonieke en administratieve organisatie, die gebaseerd is op de besluiten van het Concilie van Moskou van 1917 - 1918; het heeft, als een van de weinige kerkelijke entiteiten van Russische afkomst, deze besluiten aangenomen en toegepast. Deze traditie hebben wij van onze vaderen ontvangen, in het bijzonder van de grondlegger van ons Aartsbisdom: Metropoliet Evlogi en wij zijn daar ten diepste aan gehecht.
• aan de leer betreffende het wezen van de Kerk, zoals geformuleerd door de Theologische School St. Serge in de ecclesiologische visie van vader Serge Boulgakov en vader Nicolas Afanassieff en die is voortgezet en geactualiseerd door vader Alexander Schmemann: nl. dat de volheid van de Kerk zich manifesteert in de Goddelijke Liturgie, gecelebreerd op een bepaald altaar “voor het leven van de wereld”. De eenheid van de Kerk - en onlosmakelijk daarmee verbonden onze onderlinge eenheid - wordt verwezenlijkt en bewaard door onze deelname aan de heilige Communie: het Lichaam en Bloed van Christus.
• aan de missionaire roeping van de Russische emigratie, opnieuw bezield door haar meest bekende vertegenwoordigers, o.a. Metropoliet Vladimir, die in 1949 zei: “ te denken (...) aan een verworteling van de Orthodoxie in het Westen (...). De Heer heeft ons in elk land van de wereld geroepen (...) de Kerk van de Waarheid op te richten in het ware geloof”.
Zoveel anderen hebben eveneens een beroep op ons gedaan, ons van deze roeping bewust te zijn, waarvan juist de Russen - verdreven uit hun vaderland - zich zo sterk bewust zijn: de Kerk te doen leven, te doen stralen, haar in te planten in de gebieden, waar zij toevlucht hebben gevonden.
Deze trouw vraagt ook om openheid in ten opzichte van de realiteit van deze wereld, waarin wij leven.

De taak die ons wacht, vloeit voort uit onze situatie:
• het Aartsbisdom beschouwt zichzelf niet meer als behorend tot eender welke “diaspora”; zij is geen vreemde meer hier in West-Europa, waar de Heer ons geroepen heeft teneinde getuigenis af te leggen van Zijn Evangelie en Zijn Heilige Kerk te vestigen. En omdat wij zijn opgericht als een canoniek diocees, verenigd rond de Tafel des Heren, waar de volheid van de Kerk zich manifesteert in de viering van de Heilige Eucharistie - opgedragen door de bisschop, omringd door zijn presbyterium en het volk Gods, is ons Aartsbisdom “in se” reeds de lokale Kerk, evenals elk diocees, dat zich ter plaatse bevindt; het vertegenwoordigt een solide, kerkelijke realiteit, die zich niet alleen in Frankrijk manifesteert, maar eveneens in de andere landen van West-Europa. Samen met de diocesen van de andere Patriarchaten waarmee zij in communio leeft, vormt ons Aartsbisdom een eerste begin van een territoriale Kerk in elk land, waar het vertegenwoordigd is;
• het is een primordiaal vereiste van ons geloof en van ons getuigenis van het Evangelie van Christus, de eenheid van alle orthodoxe gemeenschappen op eenzelfde grondgebied te stimuleren. Wij zijn gelukkig dat Z.H. Patriarch Alexis II van Moskou zich bewust getoond heeft van het zware probleem van de canonieke organisatie van de Orthodoxie in West-Europa. Wij durven te hopen dat ook de andere Patriarchaten zich betrokken voelen bij dit probleem en daarvan getuigen, niet alleen bij hun eigen gelovigen in West-Europa, maar voor alle orthodoxen hier.

Daarom doen wij een appel op alle Patriarchaten en in de eerste plaats op Z.H. Bartholomeos I, de Oecumenische Patriarch, de eerste onder zijns gelijken, teneinde het preconciliaire, panorthodoxe proces weer op gang te brengen in het kader waarvan deze problematiek opgelost moet worden, rekening houdend met de aanbevelingen van alle orthodoxe bisschoppen in West-Europa en van het volk Gods, dat aan hen is toevertrouwd.

• Het Aartsbisdom wil de bijzondere band van liefde en respect met de Kerk van Rusland, die in de harten van haar gelovigen leeft, bewaren en stimuleren. In de mate van zijn krachten heeft het Aartsbisdom altijd gepoogd - en doet dat nog - hulp te bieden aan Rusland, door haar organisaties en verenigingen, die door de jaren heen gesticht en bezield werden door de gelovigen van het Aartsbisdom, zoals: “Aide aux Croyants de l’URSS” (inmiddels ACER-Russie geheten), de uitgaven van YMCA-press, de uitzendingen van de “Voix de l’Orthodoxie”, het Diocesaan Comité voor humanitaire hulp aan parochies in Rusland en onlangs nog de hulpactie voor de slachtoffers van het gijzelingsdrama in Beslan.
Aandachtig volgen wij het proces van toenadering tussen het Patriarchaat van Moskou en de Synodale Kerk, maar de situatie van ons Aartsbisdom is een totaal andere, zowel canoniek; wij bevinden ons immers binnen de jurisdictie van het Oecumenisch Patriarchaat, waardoor wij verzekerd zijn van de communio met alle territoriale Kerken, daarbij inbegrepen die van Rusland, maar ook op existentiëel plan, omdat gewerkt wordt in alle landen van West-Europa, waar ons Aartsbisdom vertegenwoordigd is in samenwerking en overleg met alle andere diocesen, die binnen hetzelfde territorium gevestigd zijn.
Deze tendens zet zich steeds verder voort.
In 1995 werd, dank zij de initiatieven van Z.H. Patriarch Alexis II en Z.E. Aartsbisschop Serge op het hoogste niveau het officiële contact hersteld tussen de Russische Kerk en ons Aartsbisdom, waarmee wij ons gelukkig prijzen. We hadden gehoopt op het begin van een broederlijke dialoog teneinde onze wederzijdse pastorale problemen op te lossen. Deze noodzakelijke dialoog werd de laatste jaren echter bemoeilijkt vanwege een onderwaardering van ons statuut door het Moskouse Patriarchaat. Het komt ons voor dat het deze onderwaardering was, die geleid heeft tot het patriarchale schrijven van 1 april 2003 - op het moment dat, door het plotselinge overlijden van Aartsbisschop Serge, de aartsbisschoppelijke zetel vacant was.
Het is inmiddels gebleken dat bepaalde personen in de directe omgeving van Mgr. Serge, op eigen initiatief en zonder collegiale ondersteuning van verantwoordelijke bestuursorganen van het Aartsbisdom in te roepen, onderhandelingen hebben in gang gezet, die geleid hebben tot de opstelling van een ontwerpstatuut voor een “autonome metropolie” voor West-Europa onder jurisdictie van het Patriarchaat Moskou, waarin dan ook ons Aartsbisdom een plaats zou krijgen.
Na het onverwachte overlijden van Mgr. Serge, werd de verkiezing - met overgrote meerderheid van stemmen - van Mgr. Gabriël geheel ten onrechte gezien als een verandering in de doelstellingen van het Aartsbisdom.
Zijnerzijds heeft Mgr. Gabriël pogingen ondernomen een dialoog met het Patriarchaat van Moskou aan te gaan. Hij heeft zich in een brief gericht tot Z.H. Patriarch Alexis II; hij heeft de verantwoordelijken van het Patriarchaat Moskou persoonlijk ontmoet. Maar bij gebrek aan een antwoord waren voor hem geen andere mogelijkheden om in contact te blijven.
Tien dagen na zijn verkiezing op 1 mei 2003, heeft Mgr. Gabriël zich in een brief aan Z.H. Patriarch Alexis bereid verklaard tot een dialoog over de toekomst van het Aartsbisdom en de relatie tot het Patriarchaat van Moskou, uitgaande van de beginselen van de orthodoxe ecclesiologie en in communio met de andere orthodoxe bisschoppen ter plaatse (1).

• In haar trouw aan de Russische traditie en overeenkomstig de orthodoxe kerkleer, die uitgaat van de territorialiteit van de Kerk in één duidelijk bepaald en omschreven gebied, houdt het Aartsbisdom vast aan zijn roeping te streven naar een lokale Kerk op territoriale grondslag.
In 1949 reeds hebben de leden van de toen gehouden Algemene Vergadering dit geformuleerd, toen zij de hoop uitspraken: “ooit de dag zou aanbreken dat wij, door Gods genade, zullen kunnen terugkeren naar een bevrijd Rusland en ons opnieuw kunnen aansluiten bij de Moederkerk”  (2). Ook voor hen, evenals trouwens voor ons, is de Russische Kerk logischerwijs de Kerk, die zich in Rusland bevindt (zie I Kor. 1,2 e.v.). Maar tegelijk wilden zij al diegenen, die definitief in het Westen wilden blijven, verzekeren van een lokale, orthodoxe Kerk.
In die zin schreven in 1966 onze vaders en leraren in het geloof ons opnieuw, dat zij een terugkeer naar het Patriarchaat van Moskou afwezen: “ ... het is essentiëel dat, zelfs indien de situatie in Rusland zich normaliseert, de situatie voor ons Aartsbisdom zich niet zal wijzigen ( ... ). Inderdaad is ons Aartsbisdom in de loop der tijd lokaal en multinationaal geworden, want vanaf zijn ontstaan was het gevestigd buiten de territoriale en canonieke grenzen grenzen van welke autokefale Kerk dan ook, inbegrepen het Patriarchaat van Moskou” (3).
Voor ons, evenals voor onze voorouders, is de superpositie van jurisdicties op eenzelfde grondgebied niet gerechtvaardigd, want zij is in tegenspraak met de territoriale ecclesiologie, zoals die met name is vastgelegd in de 34e canon van de heilige Apostelen. Evenmin is het gerechtvaardigd dat de verschillende autokefale Kerken, verspreid over heel West-Europa of elders, deze superpositie kunnen opeisen of afdwingen door directe verwijzing naar hun nationale herkomst.
De huidige situatie is maar een etappe, veroorzaakt door de loop van de geschiedenis waarvoor, na verloop van tijd, een oplossing moet worden gevonden, in nauwe samenwerking met de diocesen van de andere patriarchaten in West-Europa.
Al deze ecclesiologische overwegingen maken het voorstel van het Patriarchaat Moskou, geformuleerd in de brief van 1 april 2003 ongepast. De totstandbrenging van één lokale Kerk in West-Europa dient, wat betreft de territorialiteit van de Kerk, met de uiterste zorgvuldigheid  en met scrupuleus respect voor de canons plaats te vinden. Evenmin als de andere patriarchaten heeft het Patriarchaat van Moskou jurisdictie over West-Europa.

• In dit verband zijn wij God dankbaar, dat wij in Frankrijk beschikken over over een centraal punt van overleg in de vorm van de “Assemblée des evêques orthodoxes en France (AEOF), die volgens de besluiten van het voorbereidende interorthodox preconciliair overleg van Chambésy, gehouden in 1991 en 1993, Wij zijn dan ook bijzonder verheugd over het initiatief van de AEOF om met een delegatie, waarvan ook Aartsbisschop Gabriël deel zal uitmaken, de verschillende territoriale patriarchaten te bezoeken teneinde bij hen de situatie de kerkelijke situatie in Frankrijk en West-Europa uit te leggen en toe te lichten en met hen de perspectieven te bespreken van een verenigde lokale Orthodoxie.

• De geloofsoverdracht aan de nieuw-aangekomenen, die in West-Europa een toevlucht zoeken, moet onze absolute prioriteit krijgen. De traditie van onze Kerk, in Rusland zowel als als in de emigratie, die de onlangs gecanoniseerde heiligen - moeder Maria en haar gezellen - ons hebben voorgeleefd, dwingen ons het onthaal van deze migranten ter hand te nemen. Tot het opnemen van deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid heeft Mgr. Gabriël ons tijdens de Algemene Vergadering van 1 mei 2003 en 1 mei 2004 opgeroepen en wij moeten er allen actief aan deelnemen. Doen wij op dit gebied wel voldoende? Het spreekt voor zich dat wij daarbij onze krachten moeten bundelen, in samenwerking met de diocesen van de andere patriarchaten, teneinde hun sociale, materiële, juridische en geestelijke nood te lenigen, waaraan zovelen onder hen behoefte hebben.
Ook aan katechese is grote nood, allereerst onder de immigranten, die aan een kerkelijk leven moeten wennen; maar ook de jeugd en de volwassenen in de parochies hebben theologische vorming nodig. Wij doen dan ook een oproep aan de gelovigen in ons Aartsbisdom zich te engageren en deel te nemen aan de reeds bestaande activiteiten op dit gebied in hun parochies en aan de initiatieven op dit gebied, die wij binnenkort zullen ondernemen en waarvan wij u op de hoogte zullen houden.

• Tot slot doen wij een dringend beroep op al onze gelovigen, de kostbare schat van de onderlinge eenheid te bewaren. Een gedachtenwisseling is belangrijk en legitiem, maar polemiek binnen de Kerk heeft zijn grenzen. Als er al meningsverschillen zijn, dient toch - volgens het woord van de apostel in Ef. 4,3 - in alles de waarheid gezocht te worden. Het Aartsbisdom heeft een belangrijke kerkelijke zending en die dient onze houding te bepalen en vorm te geven aan onze saamhorigheid, rond de figuur van onze Aartsbisschop.
Wij moeten ons kerkbegrip verdiepen en aldus de kerkelijke eenheid zoeken. Teneinde deze te bereiken, zijn wij voornemens in het voorjaar van 2005 een studiedag - voor iedereen binnen het Aartsbisdom toegankelijk - te organiseren, evenals bijeenkomsten op dekenaal niveau over hoe wij de Kerk van Christus vorm kunnen geven; want dáártoe zijn wij geroepen, ieder volgens zijn eigen talenten, om daarin “levende stenen” te worden.

De toekomst is in Gods hand, maar - zoals de Diocesane Raad het al in 2003 geformuleerd heeft -  slechts in nederigheid en uitgaande van de betekenis en de werkelijkheid van de Kerk kunnen wij samen onze enige Heer en Meester dienen, in eenheid en communio met Zijn onzegbare genade.

1  De tekst van deze brief, die opgesteld is in het Frans, is verkrijgbaar bij de Administration Diocésaine.
2  zie ‘Messager Diocésain’ , Paris, 1949, no. 21, blz. 21. In het Russisch.
3  Deze verklaring is ondertekend door: de aartspriesters Alexis Kniazeff, Alexandre Séménoff-Tian-Chansky, Alexandre Rehbinder, Stéphane Knijnikoff, Igor Vernik, Boris Bobrinskoy, Pierre Struve et Pierre Tchesnakoff, evenals door Constantin Andronikoff, Cyrille Eltchaninoff, Paul Evdokimov, Boris Fize, Nicolas Koulomzine, Jean Morozov, André Schmemann et Vladimir Vassilieff. De Franse tekst is te vinden in ‘Le Messager Orthodoxe’, 1966, no. 33-34, blz. 50.

 

VERKLARING van de DIOCESANE RAAD (II)

Parijs, 12 januari 2005

(betreffende de brief van Z.H. Patriarch ALEXIS II van 1 april 2003 over de vorming van een autonome Metropolie voor Westeuropa onder de jurisdictie van het Patriarchaat Moskou)

De Diocesane Raad, in vergadering bijeen op 12 januari 2005, onder voorzitterschap van Z.E. Aartsbisschop Gabriël van Komana, heeft kennis genomen van de gepubliceerde verklaringen en besluiten van de Heilige Synode van het Patriarchaat Moskou, genomen tijdens haar zitting van 24 december 2004. De publikatie hiervan is op ruime schaal verbreid door de OLTR (“Orthodoxie Locale de Tradition Russe”) en heeft voornamelijk betrekking op “de relatie met het Exarchaat van orthodoxe parochies van Russische traditie in West-Europa behorende tot het Patriarchaat van Constantinopel” (einde citaat). Genoemde verklaringen en besluiten bevatten onder meer reacties op de eerste verklaring van de Diocesane Raad van 9 december j.l.

De Diocesane Raad stelt met leedwezen vast dat het Patriarchaat Moskou er op generlei wijze blijk van geeft, de positie van ons Aartsbisdom/Exarchaat te begrijpen; eveneens ontbreekt de wens in gesprek te treden met Z.E. Aartsbisschop Gabriël en diens Raad, die toch wettelijk en rechtmatig gekozen zijn aan het hoofd van het Aartsbisdom. Liever beperkt men zich tot de “mondelinge en geschreven reacties van geestelijken en leken, die bedroefd en ongerust zijn over de houding van de leiding van het Aartsbisdom/Exarchaat, die niet bijdraagt aan een een toenadering tot de Russisch Orthodoxe Kerk en die een onwelwillende houding weerspiegelt t.o.v. diegenen, die een werkelijke toenadering wensen” (einde citaat).

Verschillende malen komen we dit woord “leiding” tegen in de verslagen van de Heilige Synode, alsof deze “leiding” niet zou overeenkomen met de wens van de gelovigen, terwijl zowel de Aartsbisschop alsook de Diocesane Raad en de handelingen en besluiten van beide juist de uitdrukking zijn van deze wens. De Diocesane Raad wijst er in dit verband nog eens op, dat met name door het Aartsbisdom/Exarchaat de richtlijnen van het Concilie van Moskou van 1917/1918 nauwkeurig gevolgd worden; zo werd Z.E. Aartsbisschop Gabriël gekozen met een meerderheid van ruim twee-derde van de stemmen; de gedelegeerden, die aan deze verkiezing deelnamen waren afkomstig uit alle parochies en gemeenschappen van het Aartsbisdom/Exarchaat en de uitslag  werd, wederom volgens onze statuten, bevestigd door de Heilige Synode van het Oecumenisch Patriarchaat. Ook de leden van de Diocesane Raad werden bij deze gelegenheid ge- of herkozen met twee-derde meerderheid en dit al in de eerste stemronde.

Ook betreurt de Diocesane Raad dat het Patriarchaat Moskou de situatie blijft beoordelen, daarbij uitsluitend afgaande op informatie van een beperkte groep personen, zonder rekening te houden met de gevoelens, die nog steeds leven binnen het Aartsbisdom/Exarchaat m.b.t. de “open brief” van 1 april 2003, die werd ontvangen op het moment dat de aartsbisschoppelijke zetel vacant was; op zijn zachts gezegd getuigt dit van een onhandigheid. Het is duidelijk, dat op deze basis geen onderhandelingen konden worden geopend.
Het is verbazingwekkend, dat de complexe geschiedenis van het Aartsbisdom/Exarchaat en zijn verhouding tot de Kerk van Rusland wordt weergegeven op zo’n schematische en verhullende wijze, zonder rekening te houden met de historische, sociologische, culturele en canonieke ontwikkeling van het Aartsbisdom/Exarchaat; de situatie van 1931, 1964 of 2003 is één zaak, de orthodox-ecclesiologische is een andere.

Voor ons is en blijft de orthodoxe ecclesiologie dezelfde, doorheen de loop van de geschiedenis en ongeacht het lot van keizerrijken heen. In die zin sprak in 1926 ook metropoliet Sergei (Stragorodsky) van Nizjny Novgorod, toenmalige vervanger van de locum tenens van de patriarchale troon. Toen enige bisschoppen hem ondervroegen over Russische emigranten in Servië en of deze een eigen Synode moesten gaan vormen, antwoordde   Metropoliet Sergei immers dat, i.p.v. één enkele centrale structuur op te zetten voor de gehele Russische emigratie, “het beter ware Gods wil te aanvaarden (...) en de canons van de Kerk te respecteren” (citaat); en heeft hij toen ook niet te kennen te geven, dat de enig juiste en legale weg voor deze Russen daarin bestond, zich te integreren in de plaatselijke orthodoxe Kerk van de Balkan, waar zij zich inmiddels gevestigd hadden? Voor degenen echter, die leven in gebieden en landen waar zich geen orthodoxe Kerk bevond, zag Metropoliet Sergei geen andere oplossing dan de vorming van “plaatselijke, onafhankelijke Kerken, waarbij ook niet-Russische orthodoxen zich zouden kunnen aansluiten” (citaat). Dit antwoord van Metropoliet Sergei is feitelijk het enige, dat overeenkomt met de orthodoxe ecclesiologie.

Het is waar, dat het voorlopige Russische Exarchaat voor West-Europa, dat door het Oecumenisch Patriarchaat in 1931 op verzoek van Metropoliet Evlogi z.g. werd opgericht, door hetzelfde Patriarchaat in 1965 werd opgeheven. Dit gebeurde onder druk van het Patriarchaat Moskou en zonder dat het Exarchaat vooraf hiervan op de hoogte was gesteld. Sindsdien volgt het Aartsbisdom zijn eigen weg, met - vanaf 1971 - een voorlopig eigen statuut van autonomie, maar weer onder de hoede van het Oecumenisch Patriarchaat. Dit bijzondere statuut werd in 1991 door een Patriarchale Tomos (= besluit, oekaze) nog uitgebreid en bevestigd. Want als het Aartsbisdom/Exarchaat zich verder blijft beschouwen als een tijdelijke kerkelijke structuur, dan is dat niet meer in relatie tot welke “Moederkerk” dan ook, maar in verhouding tot de wereldwijde kerkelijke “diaspora”, zoals wijlen Aartsbisschop Georges (van Evdokia) heeft uiteengezet tijdens de Pastorale Vergadering van 20 febr. 1981: “Vijftig jaar geleden scheen heel ons leven “voorlopig”, zoals ook onze kerkelijke structuur ons “voorlopig” en tijdelijk scheen. Onze gelovigen waren vrijwel uitsluitend vluchtelingen, die van de ene dag op de andere weer zouden kunnen verder trekken. Onder die omstandigheden werd in 1931 dan ook een “voorlopig” Exarchaat in het leven geroepen. Daarentegen is het, sinds de Patriarchale Tomos van 1971, duidelijk geworden dat de nieuwe organisatievorm van onze kerkelijke structuur geldig blijft tot het moment, waarop het probleem van de diaspora in zijn geheel geregeld zal zijn, overeenkomstig de canonieke regels, door een Groot en Heilig Concilie” (einde citaat).

Te beweren, dat wijlen Aartsbisschop Serge “de toekomst van het Aartsbisdom zou hebben gezien in het herstel van de canonieke eenheid met het Patriarchaat van Moskou” (citaat), komt niet overeen met de werkelijkheid. Op 9 november 2000 schreef wijlen  Aartsbisschop Serge aan Z.H. Patriarch Alexis II, naar aanleiding van de overname van een onzer parochies door het Patriarchaat Moskou. In dit schrijven benadrukt Aartsbisschop Serge de canoniciteit en de territoriale integriteit van ons Aartsbisdom/Exarchaat. Wij allen herinneren ons hoe Aartsbisschop Serge ten diepste ontdaan en geschokt was door deze overname. “De zeventig jaren van het bestaan van ons Aartsbisdom onder de obediëntie van het Oecumenisch Patriarchaat en van onze integratie in West-Europa, hebben een geheel nieuwe situatie geschapen (in tegenstelling tot de periode onder Metropoliet Evlogi in 1931. n.v.d.v.). Er is nu geen sprake meer van een eenvoudige terugkeer naar het Patriarchaat van Moskou. Ons Aartsbisdom bestaat niet langer meer uitsluitend uit Russen, al zijn enkele geïsoleerde parochies overgegaan naar het Patriarchaat. Slechts samen kunnen wij naar een oplossing zoeken, in wederzijds respect en broederlijke liefde, teneinde tot een oplossing te geraken van het probleem van de diaspora in West-Europa, op basis van autonomie. Tot elke prijs moet in de toekomst de afkeurenswaardige praktijk vermeden worden, dat individuele personen overgaan van de ene jurisdictie naar de andere. Dit kan de onderlinge verhouding tussen de jurisdicties alleen maar vergiftigen. Bovendien hebben we de laatste jaren maar al te vaak stemmen vanuit de Russische Kerk gehoord (en soms ook handelingen gezien), die tegen de geest van vrijheid ingaan en die vrijheid is juist een onomstotelijk deel van onze erfenis”  aldus Aartsbisschop Serge.
Men kan er begrip voor opbrengen, dat het Patriarchaat Moskou een pastorale ijver aan de dag legt met betrekking tot de geestelijke zorg voor Russische emigranten, die de laatste jaren hun land verlaten hebben en die zich nu hier vestigen, dan wel zich hier tijdelijk ophouden. Maar voor hen zijn er al eigen parochies. Bovendien kan dezelfde pastorale zorg ook gegeven worden - en wordt ook al gegeven - door de plaatselijke orthodoxe entiteiten. Is het nodig nog eens te benadrukken dat de Orthodoxe Kerk één is, ongeacht ethnische afkomst of jurisdicties, die ter plaatse aanwezig zijn? Ons gezamenlijke doel moet blijven gestalte te geven aan die eenheid, met behulp van de hiërarchieke structuur, die reeds aanwezig is.

Daarentegen is het absoluut ontoelaatbaar te beweren dat door ons “ongefundeerde beschuldigingen” zouden zijn gericht tegen geestelijken en leken die “nauwere banden wensen met de Russische orthodoxe Kerk” (citaat). Dit berust op niet geverifiëerde, foutieve informatie, die elke grond missen. Er is in verklaringen van het Patriarchaat Moskou zelfs sprake van canonieke interdicties (canonieke straf, die inhoudt dat aan priesters, tijdelijk of permanent, wordt ontzegd te celebreren. n.v.d.v.), die zouden zijn opgelegd aan geestelijken, die “de richtlijnen willen volgen van Z.E. Metropoliet Evlogi” (citaat). Deze “richtlijnen” ontstonden tijdens de historische periode rond 1945 - meer dan een halve eeuw geleden - en die door de Metropoliet later hevig werden betreurd, omdat ze overhaast en ondoordacht waren. Het is des te meer verbazingwekkend, dat de Heilige Synode van het Patriarchaat Moskou geen enkele melding maakt van de veranderde houding van de opvolger van Metropoliet Evlogi: Metropoliet Vladimir (Tichonicky) z.g., een houding, die sindsdien werd voortgezet door diens opvolgers tot op de dag van vandaag.

De Diocesane Raad neemt met verbazing kennis van de beslissing van het Patriarchaat Moskou, geen rekening te houden met disciplinaire maatregelen, die genomen zijn of nog genomen worden tegen deze of gene geestelijke of leek, indien opgelegd door ons Aartsbisdom/Exarchaat (Notulen van het Patriarchaat, 24-12-2004; no. 92, § 3). Dit besluit wordt door de Diocesane Raad betreurd, evenals het besluit individuele priesters en/of parochies, die deel uitmaken van ons Aartsbisdom en die zulks wensen, in het Patriarchaat op te nemen, zonder canonieke ontslagbrief (Notulen, id. 93). De Diocesane Raad betreurt deze beslissing ten diepste, omdat zij indruist tegen de letter en de geest van de heilige canones, die zeggen dat “geen enkele bisschop het recht heeft zich in te mengen in de pastorale, administratieve of disciplinaire aangelegenheden van een diocees, anders dan het zijne” (67e canon van het Concilie van Carthago).

Deze houding, die door het Patriarchaat Moskou tegenover ons Aartsbisdom/Exarchaat wordt ingenomen is des te onaangenamer, omdat het Aartsbisdom/Exarchaat zich van zijn kant nooit heeft ingemengd in de zaken van het Patriarchaat Moskou - ook niet in de tijd, dat de hiërarchie in Rusland tot tot een minimum was teruggebracht. Evenmin heeft het Aartsbisdom/Exarchaat zich ooit negatief uitgelaten ten opzichte van de Kerk van Rusland. Integendeel: het Aartsbisdom/Exarchaat is steeds te hulp gekomen als de Kerk van Rusland of haar gelovigen dat nodig hadden; in de eerste plaats - en onophoudelijk - door gebed voor het lijdende Russische volk en de duizenden martelaren en belijders, maar ook door bekendheid te geven aan de wrede vervolging van de Kerk van Christus, die toen in Rusland plaatsvond. En ook nu zijn er nog steeds activiteiten, gezamenlijke en persoonlijke, georganiseerd en voortgezet dankzij de inzet van geestelijken en leken van het Aartsbisdom/Exarchaat. Deze activiteiten hebben betrekking op het ter beschikking stellen en verspreiden van geestelijke lectuur in heel Rusland, katechese via radio-uitzendingen, het verlenen van materiële en medische hulp, enz.

Het moge duidelijk zijn, dat de onjuiste informatie van de zijde van het Patriarchaat Moskou met betrekking tot de interne aangelegenheden van het Aartsbisdom/Exarchaat, evenals de onderscheiden interpretatie van de geschiedenis en van de canonieke grondslag van het Aartsbisdom/Exarchaat, alsook van zijn verhouding met de Russisch-Orthodoxe Kerk, in hoge mate bijdragen tot de opeenstapeling van misverstanden en betreurenswaardige spanningen tussen beide. Gezien deze omstandigheden stelt de Diocesane Raad aan Z.H. Patriarch Alexis voor, een delegatie te willen ontvangen van het Aartsbisdom/Exarchaat, opdat deze zelf het standpunt van het Aartsbisdom/Exarchaat kan uiteenzetten en met Zijne Heiligheid alle aspecten van de canonieke situatie van de Orthodoxie in West-Europa kan bespreken. Met de zegen van Z.E. Aartsbisschop Gabriël, is dit voorstel gedaan, nadat hiertoe de zegen ontvangen zal zijn van Z.H. de Oecumenische Patriarch Bartholomeos I.

Wij spreken de hoop uit, dat Zijne Heiligheid Patriarch Alexis met dit verzoek zal instemmen en met de leden van de delegatie van gedachten zal wisselen in een open en broederlijke dialoog, teneinde de “standvastigheid van de Heilige Kerken van God” te begunstigen, opdat vrede en eendracht moge heersen onder de orthodoxe gelovigen in West-Europa, waar de Heer ons geroepen heeft te leven.

+ Aartsbisschop Gabriël van Komana en Exarch van de Oecumenische Patriarch
De gekozen leden van de Diocesane Raad: archimandriet Job (Getcha), aartspriester Eugène Czapiuk, aartspriester René Dorenlot, aartspriester Jean Gueit, aartspriester Jean Roberti; mw. Tatiana Chomcheff, de heren Ivan Cheret, Antoine Nivière, Michel Sollogoub, Pierre Sollogoub en Nikita Struve.